Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.3

Lokale Maximale Waarden in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’

Onderdeel van Nota bodembeheer

Om de nu relatief beperkte generieke toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, kunnen de gemeenten onder voorwaarden toestaan dat in gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond mag worden toegepast die voldoet aan de (toekomstige) bodemfunctie (zie kaartbijlage 5A en 5B). De schone gebieden betreffen met name de bodemkwaliteitszones ‘B3./O3. Wonen na 1950’, ‘B5./O5. Industrie na 1950’ en ‘B6./O6. Buitengebied’. De Lokale Maximale Waarde voor gebieden met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Industrie’ kunnen worden vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De Lokale Maximale Waarde voor gebieden met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ kunnen worden vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ zijn gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (‘Industrie’ of ‘Wonen’). Hierdoor treden er bij het (toekomstig) bodemgebruik geen risico's op. Voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de Lokale Maximale Waarden zijn: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toepassingslocatie is gelegen, neemt hierover een formeel besluit. De betreffende toepassingslocatie wordt met voldoende detailniveau op kaart aangegeven en ten behoeve van de toekomstige actualisatie van de bodemkwaliteitskaart doorgegeven aan de Omgevingsdienst Rivierenland. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Er gelden drie uitzonderingen voor de toepassing van dit beleid: Uitzondering 1: het toepassen van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin. In de bodemfunctieklassenkaart is aan een aantal gemengde industrieterreinen (bedrijven en (bedrijfs-)woningen) de functie Industrie toegekend. Formeel moet aan deze gemengde terreinen de meest gevoelige functie (Wonen) worden toegekend. Besloten is dit niet te doen, maar om vast te stellen dat ter plaatse van de (bedrijfs-)woningen de kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Bij een bodemsanering moet bij woonpercelen op gemengde industrieterreinen (bedrijven en (bedrijfs-)woningen) worden teruggesaneerd tot kwaliteitsklasse Wonen. Als op de plaats van toe te passen grond sprake is van onverharde tuinen geldt voor toe te passen grond ook een maximale waarde voor lood van 100 mg/kg ds (zie uitzondering 3 verderop in deze paragraaf). Voor percelen die later bestemd worden voor (bedrijfs-)woningen met tuin en waar grond met klasse Industrie is toegepast moet door middel van een bodemonderzoek conform NEN 5740 en een risicobeoordeling met de Risicotoolboxbodem worden vastgesteld of en welke maatregelen noodzakelijk zijn om het perceel geschikt te maken voor de functie Wonen met tuin. Uitzondering 2: het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/O1 Wonen voor 1950’ Uit de ontgravingskaart van regio Rivierenland (kaartbijlagen 3) blijkt dat in de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ de vrijkomende grond in de ontgravingsklasse ‘Industrie’ valt. Deze grond mag alleen worden toegepast in bodemkwaliteitszones waarvan de toepassingseis ‘Industrie’ is. In regio Rivierenland zijn de mogelijkheden hiervoor beperkt. In de oude binnensteden van Culemborg, Tiel en Geldermalsen vindt doorgaans op kleine schaal sanering en grondverzet plaats. In deze gebieden bestaan echter ook herinrichtingsplannen (bijvoorbeeld stationsgebieden), waarbij op grote schaal sanering en grondverzet plaatsvindt. Om de kleinschalige ontwikkelingen te faciliteren en vooruitlopend op toekomstige grootschalige ontwikkelingen hebben de gemeenten gebiedsspecifiek beleid geformuleerd voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ waarbij de hergebruiksmogelijkheden van grond binnen deze zones worden verruimd. De gemeenten hanteren in de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ Lokale Maximale Waarden voor de stoffen waarbij het gemiddelde gehalte boven de generieke maximale waarde Wonen ligt (PCB, PAK en/of zware metalen). Hierdoor kan meer grond binnen en tussen deze bodemkwaliteitszones worden hergebruikt. Deze waarden gelden voor zowel de boven- als de ondergrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid (zie bijlage 5) en kunnen worden gebruikt bij het bodemgebruik ‘wonen met tuin’. Voor de parameter lood zijn voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’, afhankelijk van het (toekomstige) bodemgebruik, Lokale Maximale Waarden opgesteld. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Rekening gehouden moet worden met het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik (zie de hieronder vermelde uitzondering 2 van 2). Uitzondering 3: het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik met een gehalte aan lood boven 100 mg/kg (gemeten gehalte). Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen8 Onder plaatsen waar kinderen spelen wordt verstaan: onverharde openbare kinderspeelplaatsen, onverharde delen op schoolpleinen en onverharde speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen., moes-/volkstuin(complex)en9 Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte > 200 m² en tuinen met > 200 m2 gewasteelt., intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen. Voor het toepassen van grond op terreinen met deze gevoelige bodemgebruiken stellen de gemeenten strengere eisen voor lood. Lood in de bodem kan met name risico’s opleveren voor jonge kinderen (0-6 jaar). De gemeenten volgen hierin het advies van de GGD Gelderland-Zuid die voor lood in de grond een gezondheidskundige waarde heeft gedefinieerd gebaseerd op het ALARA-principe (‘As Low As Reasonably Achievable 10 `zo laag als redelijkerwijze haalbaar is’.’; zie bijlage 5). De gezondheidskundige waarde voor lood bedraagt 90 mg/kg ds, gemeten gehalte. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor lood op een gehalte gelijk aan 100 mg/kg ds (gemeten gehalte). Reden hiervoor is dat deze waarde gelijk is aan 2 maal de Achtergrondwaarde (AW2000). In theorie is het mogelijk dat schone grond een loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) kan bevatten. De gemeenten vinden het niet wenselijk om schone grond hierop af te keuren. In bijlage 3C is een overzicht opgenomen van de bodemkwaliteitszones met de statistische parameters gebaseerd op de gemeten waarden aan lood. Onder voorwaarden kunnen de Lokale Maximale Waarde voor (schone) gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vastgesteld op respectievelijk de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Uitzonderingen op dit beleid zijn: De Lokale Maximale Waarde ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin. Ook is (bedrijfs-)woningen met tuin uitzondering 3 van toepassing. Voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ zijn andere Lokale Maximale Waarde vastgesteld (zie bijlage 7a). De toe te passen grond op gevoelig bodemgebruik mag een maximaal loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) bevatten.

Rechtspraak bij dit artikel