Inleiding
Ter plaatse van (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, is vastgesteld dat in de bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zijn heterogeen verdeeld en komen over het algemeen in licht (en soms in sterk) verhoogde gehalten voor. Ook licht verhoogde gehalten met organochloorbestrijdingsmiddelen zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft er mee te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’.
De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanaf de (voormalige) boomgaarden vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor de mens staan de gemeenten onder voorwaarden lokale verslechtering toe voor grond vanaf voormalige boomgaarden. Het gebiedsspecifiek beleid wordt in de onderstaande paragrafen uiteengezet.
Uitgangspunten
De uitgangspunten voor sanering en hergebruik/toepassen van grond met bestrijdingsmiddelen worden vooral bepaald door de risico’s en het grondverzet in regio Rivierenland. Voor bestrijdingsmiddelen geldt dat er bij relatief lage gehalten sprake is van een (theoretisch) ecologisch risico, terwijl pas bij relatief hoge gehalten er sprake is van een humaan risico. Voor DDT en DDE is dat boven de interventiewaarde.
In het kader van het gebiedsspecifiek beleid wordt onderscheid gemaakt in de volgende situaties:
Voormalige boomgaarden in huidige en toekomstige woon- en industriegebieden.
Bestaande en voormalige boomgaarden in het buiten gebied.
Boomgaarden in bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatrichtlijngebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden).
In de hierna volgende paragrafen is nader ingegaan op het gebiedsspecifiek beleid.
Lokale Maximale Waarden voor toepassing grond vanaf een (voormalig) boomgaard perceel op een (voormalig) boomgaard perceel (periode 1945-2000)
Ter plaatse van (toekomstige) woon- en industriegebieden
In woon- en industriegebieden zijn vooral humane risico’s van belang. Bij uitbreidingen van woon- en industriegebieden in het buitengebied verschuift de functie, waarbij vooral humane risico’s van belang zijn en een lager ecologisch beschermingsniveau vereist is . Vanuit een beleidsmatig oogpunt is het wenselijk om in woon- en industriegebieden hogere waarden te accepteren bij sanering en hergebruik van grond dan in het landelijk gebied en een verslechtering voor wat betreft bestrijdingsmiddelen toe te laten ten gunste van het landelijk gebied.
De gemeenten hanteren in de (toekomstige) woon- en industriegebieden waar sprake is geweest van boomgaarden Lokale Maximale Waarden voor bestrijdingsmiddelen. Hierdoor kan meer grond binnen en tussen de (voormalige) boomgaarden worden hergebruikt. Deze waarden gelden alleen voor de bovengrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 5. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Of sprake is geweest van een voormalige boomgaard perceel (verdachte periode van gebruik bestrijdingsmiddelen: 1945-2000) moet worden achterhaald via de volgende website: http://topotijdreis.nl/.
Met de Lokale Maximale Waarden worden de risico’s op ongecontroleerd verzet van sterk verontreinigde grond en onaanvaardbare ecologische risico’s (optredend boven het saneringscriterium) tegen gegaan.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. Hier gelden de in het saneringsplan opgenomen terugsaneerwaarden en eisen voor de leeflaag.
Ter plaatse van de (toekomstige) woon- en industriegebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn voor de bovengrond Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld (zie bijlage 7a).
Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (zie § 8.2.1).
De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Ter plaatse van het buitengebied
Het gebiedsspecifiek beleid voor bestaande en voormalige boomgaarden in het buitengebied is er op gericht de meest verontreinigde locaties aan te pakken en verspreiding vanuit deze locaties tegen te gaan. Gezien de omvang van de verontreiniging van bestrijdingsmiddelen is het terugbrengen van de bodemkwaliteit naar generieke bodemkwaliteitseisen niet haalbaar. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit hanteren de gemeenten de standstill situatie op het niveau van het bodembeheergebied. Bij sanering ter plaatse van boomgaarden én bij hergebruik van grond tussen boomgaarden in het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden hanteren de gemeenten de 90-percentielwaarde11 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. als Lokale Maximale Waarden voor de bestrijdingsmiddelen (zie bijlage 7b). Als de 90-percentielwaarde lager is dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is de Achtergrondwaarde (AW2000) gehanteerd. Alle 90-percentielwaarden van de bestrijdingsmiddelen zijn lager dan de interventiewaarden (factor 1,5-1.397) en de humaan toxicologische waarde (factor 9-4.780) (zie bijlage 5 tabel 3). Hierdoor blijft hergebruik van grond binnen het buitengebied mogelijk, terwijl onaanvaardbare risico’s worden tegengegaan.
Als gevolg van het heterogene karakter van de verontreiniging mag dus een verslechtering van de bodemkwaliteit plaatsvinden op de locatie van toepassing. De verslechtering wordt tegelijkertijd gecompenseerd op de locatie van ontgraving elders in regio Rivierenland waar een kwaliteitsverbetering plaatsvindt.
Met het accepteren van de 90-percentielwaarde als Lokale Maximale Waarde voor het buitengebied, zijn niet alle ecologische risico’s weggenomen. Volgens de in 2012 uitgevoerde berekeningen met de Risicotoolboxbodem met vergelijkbare waarden (zie tabel 4.1), overschrijdt het 90-percentielwaarde in boomgaarden het matig beschermingsniveau (zie bijlage 6). Het wegnemen van alle ecologische risico’s in regio Rivierenland wordt, gezien de talrijke (voormalige) boomgaarden en gerelateerde verontreinigingen, niet haalbaar geacht. Bij deze (voormalige) boomgaarden spelen ecologische risico’s een minder belangrijke rol dan bij (voormalige) boomgaarden in bodembeschermingsgebieden.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Tabel 4.1 Lokale Maximale Waarden bestrijdingsmiddelen 2019 vergeleken met de Lokale Maximale Waarden in 2012 (in mg/kg ds en gebaseerd op de 90-percentielwaarden).
Stof
2012
2019
DDT
0,85
0,6441
DDD
0,09
0,1039
DDE
2,04
1,5705
Ter plaatse van bodembeschermingsgebieden
De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). Voor bodembeschermingsgebieden wordt naar een verbetering van de bodemkwaliteit gestreefd. Deze gebieden zijn aangegeven op de website van de provincie Gelderland: (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers).
Bij sanering wordt de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ aangehouden als terugsaneerwaarde.
Ter plaatse van het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: de 90-percentielwaarden (zie bijlage 7b bodemkwaliteitszone ‘B7. Voormalige boomgaarden’).
Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, (periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (zie § 8.2.1).
De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden).
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Toepassen grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’
De bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) ter plaatse van de (voormalige) boomgaarden moet voorafgaand aan het ontgraven altijd worden onderzocht. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. In § 8.2.1 wordt hier nader op ingegaan.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3
Artikel 4.3.4
Lokale Maximale Waarden en toepassen van grond vanaf (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000)
Onderdeel van Nota bodembeheer