Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.6

Lokale Maximale Waarden toepassen gerijpte baggerspecie/grond van Waterschap Rivierenland op de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland

Onderdeel van Nota bodembeheer

Onderbouwing Lokale Maximale Waarde Binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is een continue aanbod van baggerspecie. Bij het op diepte houden van de watergangen komt jaarlijks meer dan 400.000 kuub baggerspecie vrij. Dit op diepte houden gebeurt periodiek (eens per 10 tot 18 jaar) en wordt gedaan om het water uit de polders van regio Rivierenland adequaat af te voeren en/of de waterkwaliteit te verbeteren. Deze baggerspecie wordt, in voorkeursvolgorde: Direct nabij de watergang op de kant gezet (veelal landelijk gebied). In een weilanddepot verwerkt. Een weilanddepot ligt grenzend aan de watergang, de baggerspecie moet “verspreidbaar” zijn conform de resultaten van een waterbodemonderzoek. Een weilanddepot is alleen rendabel bij grote werken, voor zover de gerijpte bagger niet naar elders wordt verplaatst, moet na afloop het depot worden afgevlakt en ingezaaid. In een doorgangsdepot van het Waterschap verwerkt. De baggerspecie die in eigen depots wordt gestort, mag maximaal kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn. Afgevoerd naar een grondbank of andere bodemintermediair, veelal buiten het beheergebied van het Waterschap Rivierenland. Reden hiervoor is dat binnen het beheergebied van het Waterschap de toepassingslocaties voor grotere volumes baggerspecie zeer schaars zijn. Voor de situatie zoals genoemd onder 3. zoekt het Waterschap naar meer duurzame mogelijkheden voor hergebruik van de onderhoudsbaggerspecie. Op jaarbasis gaat het hier om circa 100.000 kuub onderhoudsbaggerspecie, die in depots indroogt en rijpt tot circa 40.000 kuub. Het toepassen van gerijpte baggerspecie op waterkeringen is een goede mogelijkheid. Voorafgaand wordt de baggerspecie gerijpt in een weilanddepot of andere vorm van tijdelijke opslag met het oog op de definitieve toepassing zoals bedoeld in het Besluit. De kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm uit het Besluit. Het betreft immers baggerspecie die normaliter op het aangrenzend perceel verspreid zou kunnen worden maar vanwege het ontbreken van voldoende fysieke ruimte of obstakels, afgevoerd moet worden. De baggerspecie voldoet hiermee ook aan de maximale waarden voor de bodemfunctie ‘Industrie’. In de praktijk varieert de kwaliteit van de onderhoudsbaggerspecie van ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ tot ‘Industrie’. Het Waterschap stelt dat de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland onverdacht voor bodemverontreiniging lijken, maar dat gezien het historische gebruik en beheer, en onderbouwd met onderzoek, het zeer aannemelijk is dat in de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland heterogeen verspreide verontreinigingen voor komen (kwaliteitsklasse ‘Wonen’ tot soms saneringsgevallen). Daarom wordt het niet doelmatig geacht om op waterkeringen waar verontreinigingen voorkomen, alleen maar grond te mogen toepassen die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Op waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland mogen geen groenten of gewassen worden geteeld. Wel worden delen van de waterkeringen bewoond of vindt begrazing met schapen plaats. Dit levert echter geen andere risico's met zich mee dan percelen waar onderhoudsbaggerspecie wordt verspreid. Vooral als de beoogde toepassing wordt afgedekt met een schone teeltlaag. Tenslotte wordt opgemerkt dat, bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting een strengere normering (msPAF) voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel gaat gelden. De normering gaat meer gericht worden op landbouwkundig gebruik (het betreft hier de zogenaamde package-deal tussen de Unie van Waterschappen en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarbij is tegemoetgekomen aan de wens van de landbouw om verspreidingsnormen dichter bij de LAC-waarden te brengen. Ten slotte wordt opgemerkt dat het toepassen van grond “in ophogingen en waterbouwkundige constructies […] met het oog op hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water […]” binnen het Besluit als een nuttige toepassing wordt gezien (zie artikel 35 onderdeel c van het Besluit). Lokale Maximale Waarde De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ’Industrie’ mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland. Voorwaarde is dat de kwaliteit blijkt uit een partijkeuring, en dat de laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van circa 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 of de NEN 5707 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond. Op deze manier voldoet de regionale waterkering aan het toekomstige gebruik en kan een doelmatige toepassing van grond van het Waterschap Rivierenland worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). De ligging van de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland, is opgenomen in kaartbijlage 6. De Lokale Maximale Waarde voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland is, voor grond die is verworden uit baggerspecie vanuit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ . Voorwaarde hierbij is dat nadat de grond is opgebracht deze wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel