De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als:
de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten gebied (zie hoofdstuk 2);
op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een puntbron is vastgesteld.
al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 5.10.2.
Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.