Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig een beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) kunnen ook omstandigheden die bij het opstellen van beleidsregels zijn verdisconteerd, bijzondere omstandigheden zijn die kunnen nopen tot afwijking van die beleidsregels.
Concreet betekent dit dat dergelijke verdisconteerde omstandigheden niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten en in vrijwel elk geval dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat om af te wijken van deze beleidsregels.
Desondanks worden hieronder omstandigheden en belangen beschreven waarmee in ieder geval rekening is gehouden bij het vaststellen van deze beleidsregels. Onder meer onderstaande omstandigheden zijn betrokken bij de beoordeling of al dan niet handhavend wordt opgetreden, alsmede bij de bepaling van de lengte van de begunstigingtermijn en bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom. Deze omstandigheden en de daaruit voortvloeiende belangen van de overtreder zijn afgezet tegen het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden. Zij bieden geen aanleiding om af te wijken van deze beleidsregels.
Bij de beoordeling inzake het al dan niet opleggen van een last onder dwangsom kan deze beschrijving als uitgangspunt dienen. Daarbij dient uiteraard te worden bezien of de zich voordoende omstandigheden op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel in een specifiek geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Inschrijving in de BRP
De omstandigheid dat een overtreder op het desbetreffende adres (door de gemeente) is ingeschreven in de BRP, en hij of zij daarbij niet is gewezen op het feit dat ter plaatse niet permanent mag worden gewoond, betekent niet dat die bewoning is toegestaan. Evenmin kan daaraan het vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zal worden opgetreden. Gemeenten zijn immers verplicht om burgers in te schrijven op een door deze burgers opgegeven adres in de gemeente, ook al is dit adres gekoppeld aan een recreatieverblijf. Het feit van inschrijving geeft aldus geen rechten voor permanente bewoning (permanent bewonen blijft in strijd met het bestemmingsplan).
Leeftijd overtreder
De leeftijd van een overtreder biedt geen aanleiding om af te wijken van deze beleidsregels. Zie bijvoorbeeld Ab 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2333).
(On)zelfredzaamheid overtreder
Indien een overtreder zodanig onzelfredzaam is dat hij of zij niet in staat is om de overtreding eigenhandig te beëindigen, kan hij of zij in contact worden gebracht met instanties die hem of haar daarbij kunnen ondersteunen. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn, nu deze personen kennelijk in staat zijn om zelfstandig het recreatieverblijf te bewonen. Bij een dergelijke mate van onzelfredzaamheid is de persoon doorgaans bekend bij de gemeente vanwege andere hulptrajecten. De onzelfredzaamheid biedt op zichzelf bezien geen aanleiding om af te zien van handhavend optreden of een langere begunstigingstermijn te bieden. Wel ligt het in de rede dat de gemeente dergelijke situaties nader beschouwd om te bezien of maatwerk nodig is.
Medische conditie overtreder
In beginsel staat de medische conditie van een overtreder niet in de weg aan het (laten) beëindigen van de overtreding c.q. verhuizen naar een woning waar permanente bewoning wel is toegestaan. Zie bijvoorbeeld Ab 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2333), Ab 30 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2672) en Ab 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1880). Een termijn van 6 maanden respectievelijk 12 maanden is lang genoeg om, eventueel met hulp van instanties, de overtreding te beëindigen.
Duur van de overtreding
De duur van de overtreding geeft geen aanleiding om niet handhavend op te treden of om een langere begunstigingstermijn te bieden. De begunstigingstermijn van 6 maanden respectievelijk 12 maanden wordt lang genoeg geacht om een vervangend hoofdverblijf te betrekken. Bovendien vindt reeds lange tijd, zowel lokaal als landelijk, berichtgeving plaats over (de aanpak van) permanente bewoning. Het verbod om permanente bewoning van recreatieverblijven dient als algemeen bekend te worden beschouwd. Zodoende hebben overtreders al geruime tijd de gelegenheid gehad om zelf maatregelen te treffen in plaats van het afwachten van een handhavingstraject.
Financiële verplichtingen
De omstandigheid dat een overtreder financiële verplichtingen heeft met betrekking tot de recreatiewoning, zoals bijvoorbeeld een hypotheek of een (langlopende) huurovereenkomst, biedt evenmin aanleiding om af te zien van handhavend optreden. Het verblijf kan immers worden verkocht of verhuurd aan derden.
Financiële situatie
De (slechte) financiële situatie van een overtreder vormt geen grondslag voor het afzien van handhavend optreden. Zie bijvoorbeeld Ab 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2333).
Het niet kunnen vinden van een huurder of koper
Het niet kunnen vinden van een huurder of koper voor het recreatieverblijf is niet vereist voor het beëindigen van de overtreding.
Verhuizen op afstand
De omstandigheid dat door een eventuele verhuizing de reisafstand tot de werklocatie van de overtreder (aanzienlijk) groter wordt, is geen reden om af te zien van handhavend optreden. Zie bijvoorbeeld Ab 30 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2672).
Huisdieren
Het niet mee kunnen verhuizen van huisdieren naar een alternatieve woonruimte is geen reden om af te zien van handhavend optreden. Zie bijvoorbeeld Ab 30 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2672).
Het niet beschikbaar zijn van alternatieve woonruimte
Het niet kunnen vinden c.q. het niet beschikbaar zijn van alternatieve woonruimte vormt geen grondslag voor het afzien van handhavend optreden. Zie bijvoorbeeld Ab 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2333).
Het niet veroorzaken van hinder
Het feit dat de permanente bewoning geen (directe) hinder oplevert voor derden is evenmin een omstandigheid die noopt tot afwijking van deze beleidsregels.
Minderjarige kinderen
De omstandigheid dat minderjarige kinderen woonachtig zijn in een recreatieverblijf vormt geen reden om af te zien van handhavend optreden. Een termijn van zes maanden wordt voldoende geacht om de overtreding te beëindigen.
Artikel 7.
Verdisconteerde omstandigheden
Onderdeel van Beleidsregels onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven Maasgouw 2021