(Bor, bijlage II, artikel 4 lid 1):
Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan:
Dit artikel is niet van toepassing op vakantiewoningen.
Binnen de bebouwde kom
Een afwijking is mogelijk voor:
A: Bijbehorende bouwwerken bij woningen, met dien verstande dat:
deze niet mogen worden gebouwd voor de voorgevelrooilijn;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak voor hoofdgebouwen mag maximaal 80 m² bedragen, mits het perceel voor niet meer dan 50% bebouwd wordt;
de op grond van het bestemmingsplan toelaatbare inhoud van de gebouwen (inclusief binnenplanse ontheffing) mag met niet meer dan 10% worden overschreden;
de goothoogte maximaal 5 meter mag bedragen en bij een dakhelling van 0 graden (plat dak) de hoogte maximaal 0.3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 3 meter moet bedragen;
indien de perceelsgrens grenst aan openbaar toegankelijk gebied, dient minimaal 2 meter uit deze perceelsgrens te worden gebouwd.
bij vrijstaande woningen aan één zijde in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd en één zijdelingse perceelsgrens onbebouwd blijft;
bij halfvrijstaande woningen in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
de uitbreiding is bedoeld voor vergroting van het woongenot.
B: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor erkers, luifels, balkons en ingangspartijen dat:
de breedte maximaal 2/3 van de voorgevel van de woning mag bedragen en de breedte van hoekerkers maximaal 50%. Deze bouwdelen dienen minimaal 0.5 meter uit de zijgevel te zijn gesitueerd, met uitzondering van hoekerkers;
de voorzijde maximaal 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning mag liggen;
de oppervlakte van een erker maximaal 4 m² mag bedragen;
de hoogte niet meer mag bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag plus 0.3 meter en niet hoger zijn dan 4 meter en de woning, gemeten vanaf het aansluitend terrein;
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient 2 meter te zijn. Bij twee aan elkaar gekoppelde erkers, luifels, balkons en ingangspartijen bij een dubbel blok die tegelijk worden aangevraagd, is de voorgeschreven afstand van 2 meter tot de perceelsgrens niet van toepassing;
maximaal 1 (hoek)erker per woning.
C: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1/m 6 geldt voor overkappingen en carports dat:
de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 2 meter moet bedragen;
de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 5 meter is;
de oppervlakte maximaal 30 m² op het zij- en/of achtererf buiten het bebouwingsvlak mag zijn. Het erf mag in totaal niet voor meer dan 50% met een maximum van 30 m² worden bebouwd.
D: In afwijking van het bepaalde in A en C mag bij een hoekperceel één van de twee voorgevelrooilijnen worden overschreden, met dien verstande dat:
Een bijbehorend bouwwerk voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits;
het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
het bijbehorend bouwwerk ten minste 2 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
het bijbehorende bouwwerk tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden (platte dakconstructie) de hoogte maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en niet meer dan 50% van het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende perceel bedraagt.
Een carport voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits:
het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
de carport ten minste 1 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
de carport tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
de bouwhoogte van een carport ten hoogste 3 meter bedraagt;
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, waaronder de carport ook valt, niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en dat niet meer dan 50% van het perceel wordt bebouwd.
E: Voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning ten behoeve van bouwplannen die verband houden met uitbreidingen die als doel hebben het mogelijk maken van het verlenen van niet-professionele zorg aan mensen met een beperking en waarvoor op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een noodzaak aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan ontheffing te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is.
Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader en de nadere beleidsregels die op grond van de WMO voor mantelzorgwoningen en bijzondere woonvormen zijn opgesteld.
F: Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is voor bouwwerken die voldoen aan de kenmerken van artikel 4, lid 1 van bijlage II van het Bor.
Daarbij geldt dat de oppervlakte van een perceel of van aaneengesloten en qua gebruik bij elkaar horende percelen die op grond van het bestemmingsplan bebouwd mag worden door de afwijking van het bestemmingsplan met niet meer dan 50% mag worden vergroot.
G: Voor het realiseren van een winterterras bij een horecabedrijf geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is als voldaan wordt aan de criteria vastgelegd in het gemeentelijke beleid voor terrassen en de gemeentelijke welstandsnota
Buiten de bebouwde kom:
Een afwijking is mogelijk voor:
A: Bijbehorende bouwwerken bij woningen die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 1 van het Bor, met dien verstande dat:
deze niet mogen worden gebouwd voor de voorgevelrooilijn;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak voor hoofdgebouwen mag maximaal 80 m² bedragen, mits het perceel voor niet meer dan 50% bebouwd wordt;
de op grond van het bestemmingsplan toelaatbare inhoud van de gebouwen (inclusief binnenplanse ontheffing) mag met niet meer dan 10% worden overschreden;
de goothoogte maximaal 5 meter mag bedragen en bij een dakhelling van 0 graden (plat dak) de hoogte maximaal 0.3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 3 meter moet bedragen;
de afstand tussen vrijstaand bijgebouw en hoofdgebouw niet meer dan 20 meter mag bedragen (loodrecht gemeten);
indien de perceelsgrens grenst aan openbaar toegankelijk gebied, dient minimaal 2 meter uit deze perceelsgrens te worden gebouwd;
bij vrijstaande woningen aan één zijde in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd en één zijdelingse perceelsgrens onbebouwd blijft;
bij halfvrijstaande woningen in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
de uitbreiding is bedoeld voor vergroting van het woongenot.
B: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor erkers, luifels, balkons en ingangspartijen dat:
de breedte maximaal 2/3 van de voorgevel van de woning mag bedragen en de breedte van hoekerkers maximaal 50%. Deze bouwdelen dienen minimaal 0.5 meter uit de zijgevel te zijn gesitueerd, met uitzondering van hoekerkers;
de voorzijde maximaal 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning mag liggen;
de oppervlakte van een erker maximaal 4 m² mag bedragen;
de hoogte niet meer mag bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag plus 0.3 meter en niet hoger zijn dan 4 meter en de woning, gemeten vanaf het aansluitend terrein;
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 2 meter te zijn. Bij twee aan elkaar gekoppelde erkers, luifels, balkons en ingangspartijen bij een dubbel blok die tegelijk worden aangevraagd, is de voorgeschreven afstand van 2 meter tot de perceelsgrens niet van toepassing;
maximaal 1 (hoek)erker per woning is toegestaan.
C: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor overkappingen en carports dat:
de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 1 meter moet bedragen;
de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 3 meter moet bedragen.
D: In afwijking van het bepaalde in A en C mag bij een hoekperceel één van de twee voorgevelrooilijnen worden overschreden, met dien verstande dat:
Een bijbehorend bouwwerk vóór de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mag worden gebouwd, mits;
het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
het bijbehorend bouwwerk ten minste 3 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
het bijbehorende bouwwerk tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden (platte dakconstructie) de hoogte maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en niet meer dan 50% van het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende perceel bedraagt.
Een carport voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits:
het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
de carport ten minste 1 meter achter een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
de carport tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
de bouwhoogte van een carport ten hoogste 3,00 m bedraagt;
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, waaronder de carport ook valt, niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en dat niet meer dan 50% van het perceel wordt bebouwd.
E: Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning ten behoeve van bouwplannen die verband houden met uitbreidingen die als doel hebben het mogelijk maken van het verlenen van niet-professionele zorg aan mensen met een beperking en waarvoor op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een noodzaak aanwezig is (mantelzorg), bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan ontheffing te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is.
Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader en de nadere beleidsregels die op grond van de WMO voor mantelzorgwoningen en bijzondere woonvormen zijn opgesteld.
F: Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is voor bouwwerken die voldoen aan de kenmerken van artikel 4, lid 1 van bijlage II van het Bor, mits de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.
Daarbij geldt dat de oppervlakte van een perceel of van aaneengesloten en qua gebruik bij elkaar
horende percelen die op grond van het bestemmingsplan bebouwd mag worden door de afwijking
van het bestemmingsplan met niet meer dan 50% mag worden vergroot.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Beleidsregel voor bouw- en gebruiksactiviteiten in strijd met het planologisch regime 2020