1. Het college laat giften en/of kostenbesparingen vrij zolang deze tezamen, per uitkering, niet hoger zijn dan het vrijlatingsbedrag per kalenderjaar.
2. Zodra het vrijlatingsbedrag wordt overschreden in een kalenderjaar merkt het college het meerdere aan als middelen (artikel 31, eerste lid van de wet) of dient de bijstand te worden afgestemd ( artikel 18, eerste lid van de wet) indien het kostenbesparingen betreft.
3. Het vrijlatingsbedrag zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet naar rato berekend indien iemand slechts een deel van een kalenderjaar bijstand ontvangt.
4. Giften in natura worden omgerekend naar de waarde die zij vertegenwoordigen in het economische verkeer.
5. Verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, stichting Leergeld en soortgelijke charitatieve instellingen worden volledig vrijgelaten.
6. Het college merkt alle niet-herleidbare ontvangsten, zoals onverklaarbare kasstortingen op bankrekeningen, aan als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de wet, tenzij de belanghebbende aannemelijk kan maken dat de ontvangst is verstrekt als gift voor bijvoorbeeld een bijzondere gelegenheid, zoals een verjaardag of een (nationale) feestdag. Indien dit aannemelijk kan worden gemaakt door de bijstandsgerechtigde dan kan dit worden aangemerkt als gift en dan geldt de vrijlating conform het vrijlatingsbedrag.
7. Prijzen uit de loterij en soortgelijke ontvangsten worden uitsluitend aangemerkt als middel (inkomen), indien deze tezamen met andere giften meer bedragen dan het vrijlatingsbedrag.
Hoofdstuk
Artikel 2
Giften en of kostenbesparingen
Onderdeel van Beleidsregels giften Participatiewet 2022 gemeente Beek