Een bijstandsgerechtigde kan tijdens iedere bijstandsperiode gebruik maken van een inkomstenvrijlating (artikel 31 lid 2 sub n PW). Deze vrijlating gaat van start op het moment dat belanghebbende tijdens de uitkering voor het eerst inkomsten uit arbeid gaat ontvangen. Het is aan het college om te bepalen: of deze functie de kansen op volledige uitstroom van belanghebbende vergroot.
Criteria voor beoordeling inkomstenvrijlating
De arbeid draagt bij aan de arbeidsinschakeling van betrokkene
Ontvangen van algemene bijstand
Nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt
De vrijlating bedraagt 25% van de inkomsten tot een maximumbedrag per maand gedurende maximaal 6 maanden.
De periode van maximaal 6 maanden hoeft niet aaneengesloten te zijn. De vrijlating kan daarom voor verschillende periodes van arbeidsinkomsten worden ingezet. Als inkomsten uit arbeid gedurende bijvoorbeeld 3 maanden zijn vrijgelaten dan resteert een toekomstige vrijlatingsperiode van maximaal 3 maanden. In geval van nieuwe arbeidsinkomsten kan de resterende vrijlatingsperiode dus herleven totdat in totaal maximaal 6 maanden is bereikt. Op deze wijze worden bijstandsgerechtigden gestimuleerd tijdelijk werk te aanvaarden dat korter dan 6 maanden duurt.
Het recht op inkomstenvrijlating bestaat tijdens de bijstandsverlening slechts 1 keer per (uitkerings)periode. Wanneer belanghebbende na een onderbreking wederom een bijstandsuitkering ontvangt dan heeft hij nogmaals recht op de volledige inkomensvrijlating (bron Schulinck).
In geval van gehuwden/samenwonenden geldt er een afzonderlijke inkomstenvrijlatingsperiode voor iedere partner.
Alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor ten laste komende kinderen tot 12 jaar, hebben recht op een aanvullende vrijlating nadat zij gebruik hebben gemaakt van de reguliere inkomstenvrijlating van 6 maanden (artikel 31 lid 2 sub r PW). De vrijlating bedraagt 12,5% van de inkomsten tot een maximumbedrag per maand gedurende 30 aaneengesloten maanden.
Bijstandsgerechtigden die een medische urenbeperking hebben, hebben recht op inkomstenvrijlating van 15% van de inkomsten uit arbeid tot een maximumbedrag, zolang ze bijstand ontvangen (artikel 31 lid 2 sub y PW). De vrijlating wordt alleen toegepast als de bijstandsgerechtigde geen recht op vrijlating heeft op grond van artikel 31 lid 2 sub n of r PW).
De maximale vrij te laten bedragen van de inkomsten uit arbeid staan genoemd in artikel 31 lid 2 PW.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.12
Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Het Hogeland 2020