Naar hoofdinhoud

Artikel 4.24

Overgangsrecht en matigen boete

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Het Hogeland 2020

Boetes die na 1 januari 2013 conform het destijds geldende boeteregime zijn opgelegd moeten worden herzien. Dat volgt uit artikel XXV lid 2 Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Uit jurisprudentie blijkt echter dat het college moet beoordelen of matiging van de boete aan de orde is. Grondslag daarvoor is artikel 15 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) (zie CRvB 19-05-2009, nr. 08/655 WWB). Het college moet de boete volgens deze jurisprudentie herberekenen: voor de periode tot 1 januari 2013 moet voor de hoogte van de boete worden gekeken naar het oude recht (de afstemmingsverordening) zoals dat gold vóór 1 januari 2013; voor de periode ná 1 januari 2013 moet het college het nieuwe recht (de bestuurlijke boete) in aanmerking nemen. Voor zover het bedrag van deze herberekening lager is dan het boetebedrag dat volgens het nieuwe recht zou moeten worden opgelegd, moet het college de boete matigen tot het bedrag van de herberekening. Als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete met een benadelingsbedrag < € 11.067,-- geldt: Opzet aantoonbaar: 100% van het benadelingsbedrag; Grove schuld; 75% van het benadelingsbedrag; Geen opzet en geen grove schuld: 50% van het benadelingsbedrag; Verminderde verwijtbaarheid op grond van de criteria van artikel 2a Boetebesluit (zie ) of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag. Van bovenstaande kan afgeweken worden vanwege bijzondere omstandigheden, ernst van de gedraging of vanwege andere reden voor maatwerk. Als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete met een benadelingsbedrag > € 11.067,-- geldt: Opzet aantoonbaar: max hoogte boete € 83.000,-- Grove schuld: max hoogte boete € 8.300,-- Normale verwijtbaarheid: max hoogte boete € 5.533,-- Verminderde verwijtbaarheid: max hoogte boete € 2.767,--

Rechtspraak bij dit artikel