Giften en liefdadigheids- (charitatieve) uitkeringen van instellingen of personen worden slechts als middelen in aanmerking genomen als zij tot een zodanige verbetering van de leefomstandigheden leiden, dat het buiten beschouwing laten ervan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening onaanvaardbaar zou zijn.
Voorbeelden van vrijgelaten giften kunnen zijn dat een derde het sporten voor de (klein)kinderen of incidenteel de boodschappen betaalt.
Individuele omstandigheden bepalen of er sprake is van een gift:
Van belang hierbij zijn de hoogte van de gift of uitkering, en
Het doel (bestemming) waarvoor de gift of uitkering wordt gegeven of juist het ontbreken
daarvan.
Als grens wordt een bedrag van € 450,00 op jaarbasis aanvaardbaar geacht. Als het een incidentele gift of uitkering betreft moet worden beoordeeld of deze betrekking heeft op kosten die worden geacht in de algemene bijstand te zijn begrepen. Heeft de gift of uitkering geen specifieke bestemming, dan kan dit aanleiding zijn de gift of uitkering niet (geheel) buiten beschouwing te laten. De gift wordt dan gezien als middel. Is de gift bestemd voor specifieke kosten waarmee de belanghebbende wordt geconfronteerd en die niet worden geacht in de algemene bijstand te zijn begrepen, dan zal er binnen redelijke grenzen geen bezwaar zijn deze buiten beschouwing te laten.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.7
Vrijlaten giften
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Het Hogeland 2020