Naar hoofdinhoud

Artikel 5.

[Aflossing geldlening]

Onderdeel van Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht WWB 2008

5.1. Aflossing vande geldlening vindt plaats gedurende tenhoogste tien jaar. 5.2. De aflossing vangt aan na beëindiging vande bijstandverlening, ophet moment vanhet opleggen van de betalingsverplichting en vindtmaandelijks plaats. 5.3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens vooreen periode vaneen jaar vastgesteld, tenzij de aflossing voldoende is om degeldlening binnen de periode van10 jaar af te lossen. De aflossing wordt als regel bepaald op 50%van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. 5.4. Bij eeninkomen als bedoeld in artikel 32 WWB dat niet uitgaat boven devan toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3,paragraaf 3.1 toten met 3.3 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. Ook wordtgeen aflossing gevergd als belanghebbende eenuitkering op grond van de Wetwerk en inkomen kunstenaars (WWIK) ontvangt. 5.5. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt, zo nodig tussentijds, het maandbedrag vande aflossing op een lager dan welhoger bedrag vastgesteld. 5.6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekeningvan belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 5.7. Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode vantien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van degeldlening terstond opeisbaar. 5.8. De kosten van doorhaling hypotheek komen ten laste van de belanghebbende (hypotheekgever).

Rechtspraak bij dit artikel