Zoals reeds aangegeven in hoofdstuk 1 is gekozen om de generieke regels beschreven in het Besluit als toepassingskader te hanteren. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 tot en met 61 van het Besluit. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3 grondverzet) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie.
De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn:
de milieu hygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) EN
door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieu hygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren.
Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: Achtergrondwaarde (AW2000 ) behorend bij de functieklasse ‘Landbouw en natuur’, waarde ‘Wonen’ en waarde ‘Industrie’. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 3.1.
Figuur 3.1: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem
Voor de maximale waarden van de klassen ‘Landbouw en natuur’ (AW2000), ‘Wonen’ en ‘Industrie’, wordt uitgegaan van de normen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 3.2 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.
Figuur 3.2: Generieke bodemtoepassing
uit onderzoek wordt de kwaliteitsklasse van de oorspronkelijke bodem én van de klasse van de toepassing vastgesteld. De toepassing moet dezelfde kwaliteitsklasse hebben (of schoner zijn) dan de kwaliteitsklasse van de oorspronkelijke bodem.
als dubbele toets wordt bepaald of de kwaliteitsklasse van de toepassing geschikt is voor de bodemfunctie van de oorspronkelijke bodem.
De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Hierdoor is er sprake is van een dubbele toets waarbij de strengste klasse bepalend is voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie.
In onderstaand kader is een aantal voorbeelden van grondverzet en grondhergebruik beschreven.
Enkele voorbeelden
Als de vrijkomende grond voldoet aan de achtergrondwaarde, dan kan deze als ‘schoon’ worden bestempeld en is deze vrij toepasbaar. Een toets van de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem is dan niet meer noodzakelijk.
Indien vrijkomende grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen, dan kan deze in principe worden toegepast in de gebieden die de functieklassen wonen en industrie kent. Vervolgens dient men nog de onderliggende bodem te laten onderzoeken. De toepasser van de grond is hier verantwoordelijk voor.
Als uit het onderzoek naar voren komt dat de ontvangende grond voldoet aan de klasse wonen of industrie dan is het grondverzet toegestaan. Daarentegen als blijkt dat de onderliggende bodem voldoet aan de achtergrondwaarde dan is het grondverzet toch niet toegestaan.
Indien de vrijkomende grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie kan deze alleen worden toegepast in een gebied met als functie industrie en waar na onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem tevens in de klasse industrie valt. Als de ontvangende grond toch minder verontreinigd blijkt dan is het toepassen wederom niet toegestaan! Er zou dan immers niet tegemoet worden gekomen aan het standstill-beginsel.
In tabel 3.1 is voor de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij.
Tabel 3.1: Systematiek generiek toepassingskader (“dubbele toets”)