Bij de beoordeling van de effecten van een brijnlozing wordt in de diverse studies zowel de grondwateronttrekking als de feitelijke lozing van het brijn in ogenschouw genomen.
Onttrekken van grondwater
Grondwateronttrekkingen kunnen effecten hebben op de omgeving:
Beïnvloeding van andere onttrekkingen;
Beïnvloeding van bodemenergiesystemen;
Beïnvloeding van drinkwaterwinning;
Verlaging van de grondwaterstand;
Verhoging van het aantrekken van zoute kwel.
Omdat gemeenten wel het bevoegd gezag zijn in het kader van het lozen van brijn, maar geen bevoegdheden hebben ten aanzien van de grondwateronttrekking, worden de effecten van grondwateronttrekking verder niet in de afwegingen meegenomen.
Lozen van brijn
Bij de beoordeling van de lozing van brijn wordt vooral gekeken naar de milieuhygiënische effecten die samenhangen met de chemische samenstelling van het brijn.
Deltares en KWR hebben een model ontwikkeld om de effecten van brijnlozingen op de chlorideconcentratie in het grondwater (specifiek voor de regio Westland) te kwantificeren [lit. 3]. Daarbij is het uitgangspunt dat chloride een indicator is voor de aanwezigheid van andere milieu-eigen stoffen. Uit het model blijkt dat de effecten van brijnlozingen vooral lokaal optreden. Het regionale, autonome proces van verzilting/verzoeting is overheersend ten opzichte van het effect van de brijnlozingen. Ook blijkt dat de verspreiding van zware metalen in het grondwater van het tweede watervoerend pakket wordt beperkt door de binding van metalen aan bodemdeeltjes.
Uit onderzoek van Deltares blijkt dat er een kans bestaat dat de kwaliteit van het grondwater in het 1e watervoerende pakket is beïnvloed door menselijk handelen. Het is ongewenst om dit antropogeen beïnvloed water in het 2e watervoerend pakket te injecteren. Daarom moet het brijn onderzocht worden op milieuvreemde stoffen (o.a. bestrijdingsmiddelen).
De provincie Zuid-Holland heeft het interim-beleid ten aanzien van brijnlozingen (periode 2006-2013) geëvalueerd [lit. 18] en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat er milieuvreemde stoffen in het eerste watervoerend pakket of het brijn aanwezig zijn, die een milieuhygiënisch probleem vormen. Te hoge gehalten aan milieu-eigen stoffen in het brijn zouden een belemmering voor de lozing betekenen, omdat dan niet wordt voldaan aan het standstil-beginsel uit de KRW. Het is echter nog niet duidelijk of de inbreng van het brijn met verhoogde gehalten aan milieu-eigen stoffen in het 2e watervoerend pakket leidt tot negatieve effecten.
Figuur 3: Schematische bodemopbouw in de Zuidplaspolder.
In de navolgende kaders zijn de (voor onderhavige rapportage) belangrijkste conclusies opgenomen.
Ondergrondkwaliteit in relatie tot brijnlozingen [lit. 4]
Uit het rapport van Deltares blijkt dat in het geval van omgekeerde osmose (reversed osmosis, oftewel RO) middels installaties met een rendement van 50% het brijn in Boskoop en Zuidplas slechter van kwaliteit is, dan in bijvoorbeeld Westland en Oostland. Met name de concentraties chroom, lood en arseen in het brijn zijn verhoogd ten opzichte van de concentraties in het tweede watervoerend pakket, waarin het brijn geloosd wordt. Voor wat betreft barium worden in het rapport geen uitspraken gedaan, omdat de metingen van zowel het eerste als het tweede watervoerend pakket een groot bereik hebben (ver uit elkaar liggen). De concentratie chloride in het brijn is lager dan de concentratie in het tweede watervoerend pakket. De chlorideconcentratie in het brijn is daarom geen probleem voor lozing. De auteurs van het rapport stellen dat brijn dat geproduceerd wordt door een omgekeerde osmose-installatie met een rendement van 50%, op basis van de verhoogde concentraties van vooral concentraties chroom, lood en arseen niet geloosd kan worden in het tweede watervoerend pakket.
In 2010 zijn de resultaten van een vervolgstudie gepresenteerd [ref. 5], waarbij nieuwe analysemonsters zijn verzameld. In verband met een nieuwe analysetechniek is de detectielimiet lager, zodat de gemeten concentraties nu beter vergeleken kunnen worden met de toetswaarden. Uit de analyseresultaten blijkt dat specifiek voor de geanalyseerde bedrijven in de gemeente Zuidplas de stoffen nikkel, antimoon, vanadium, kobalt, barium en het chloridegehalte in het brijn de streefwaarden voor diep grondwater overschrijden.
N.B. Er wordt een relatief strenge toetsing voorgesteld, waarbij de P90 van het brijn getoetst wordt aan de P50 van het 2e watervoerend pakket. De toetsing pakt ongunstig uit voor de brijnlozingen: er zijn veel overschrijdingen, die voor een groot deel echter onder de streefwaarden liggen.
Evaluatie brijnbeleid provincie Zuid-Holland [ref. 19]
Van 15 brijnanalyses (afkomstig van 63 bedrijven) in het Westland, Midden-Delfland en Zuidplas zijn bij geen van de analyses milieuvreemde stoffen aangetoond. Dit kan te maken hebben met de detectielimiet, die relatief hoog is door de analyses niet uit te voeren conform de AS3000-norm.
Dit wijst erop dat milieuvreemde stoffen geen belemmering lijken te vormen voor het verlenen van een ontheffing.
NB: dit beeld is bevestigd door de analyses van Agro Advies in 2014.
Advies technische commissie bodembescherming [ref. 11]
In haar advies ziet de TCB het oppompen van brak grondwater en lozen van brijn niet duurzaam en als laatste optie. Haar voorkeur gaat uit naar het voorkomen ervan en de alternatieven (zie volgende paragraaf). Als het echt niet anders kan, hecht de TCB aan een aantal voorwaarden voor het lozen van brijn:
De chloride concentratie van het brijn komt ongeveer overeen of is lager dan de chlorideconcentratie van het watervoerende pakket waarin het brijn wordt geloosd.
De concentratie van andere stoffen in brijn voldoen aan de voor deze stoffen in het ontvangende water gestelde normen.
Er dient een waterscheidende laag aanwezig tussen de laag waaruit het grondwater wordt opgepompt en de laag waarin het brijn wordt geloosd1 Deze scheidende laag is in Midden-Holland overal aanwezig..
Een collectief systeem voor het oppompen van grondwater en lozen van brijn* is het uitgangspunt. Er is controle op het proces.
Er vindt monitoring plaats van het grondwater in zowel het eerste als het tweede watervoerend pakket en van het te lozen brijn. Doel van de monitoring zou moeten zijn dat geverifieerd wordt of wordt voldaan aan het stand still principe. Als het huidige Nederlandse monitoringsnetwerk hierop niet is toegesneden, dan zou de aanbeveling zijn het netwerk hiervoor wel geschikt te maken.
In onderstaande tabel zijn de resultaten van de verschillende studies samengevat.
Tabel 3: Samenvatting studies
Milieu eigen stoffen
Milieuvreemde stoffen
Gevaarlijke stoffen
Niet-gevaarlijke stoffen
Bestrijdingsmiddelen, PCB’s, nitraat
Hg, Cd, Pb, As, Sb
overige zware metalen, Cl, SO4, NH4
Pas sinds 1 juli 2013 verplicht te onderzoeken voor bedrijven met ontheffing van pZH
Altijd al verplicht te onderzoeken voor bedrijven met een ontheffing van pZH
Wisselend beeld. Vooral vanadium, barium, kobalt en chloridegehalte1 overschrijden de streefwaarden voor diep grondwater 2. Nikkel en antimoon af en toe.
Geen overschrijdingen van detectielimieten 3
Norm:
streefwaarden Circulaire bodemsanering
Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (BKMW, komt voort uit de KRW)
Norm: Streefwaarden Circulaire bodemsanering
Streefwaarde voor chloride is 100, terwijl het natuurlijk gehalte ligt tussen 150 en 1000 ug/l (boven- en ondergrens van brak grondwater).
Vanadium, Kobalt en barium overschrijden ook in het 1e WVP al de streefwaarden. Deze stoffen komen dus van nature verhoogd voor.
Dit beeld wordt bevestigd door 7 analyseresultaten van brijn van 25 geclusterde bedrijven, december 2013. Alle analyses liggen beneden de detectielimiet.
Conclusie
De vraag roept zich op of brijnlozingen zo ongewenst zijn zolang de milieu-eigen stoffen in het brijn onder de streefwaarden liggen. Streefwaarden worden immers gedefinieerd als ”het niveau waaronder we spreken van een duurzame bodemkwaliteit. Bij dat niveau zijn de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier en plant volledig hersteld. Ook geven de streefwaarden het ijkpunt van de milieukwaliteit op lange termijn aan.”
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.1
De effecten van brijnlozingen
Onderdeel van Beleid, maatwerkvoorschriften en handhaving bij brijnlozingen