Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.2

Bestudering alternatieven: goed gietwater

Onderdeel van Beleid, maatwerkvoorschriften en handhaving bij brijnlozingen

In beginsel zijn brijnlozingen ongewenst en moeten op termijn beëindigd worden. Echter, omdat de opvang van hemelwater niet bij alle bedrijven volledig in de gietwaterbehoefte kan voorzien, is een alternatieve gietwaterbron benodigd. Door het ministerie van I&M is in samenwerking met een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van gemeenten, provincies, waterschappen en het bedrijfsleven een beleidskader opgesteld, verwoord in ‘Goed gietwater glastuinbouw’ [lit. 19]. Het ontstaan van brijn kan worden voorkomen door voor gietwater meer gebruik te maken van duurzame zoetwaterbronnen, zoals hemelwater, of schoon (gemaakt) ‘restwater’ uit de industrie of waterzuivering. Ook kan de hemelwateropslag vergroot worden door de aanleg van opslagruimte onder kassen, of de tijdelijke opslag van regenwater in watervoerende lagen in de bodem. Ook het creëren van collectieve opslag van hemelwater is een alternatief, met name in nieuwe gebieden zoals de Zuidplaspolder. Semi-collectieve hemelwateropslag (samenwerking tussen 2 tot 4 tuinders) is in bestaande situaties kansrijk vanwege het onderling kunnen afstemmen van het waterverbruik en de beperktere investeringskosten. Uit het beleidskader ‘Goed gietwater glastuinbouw’ volgt dat de volgende bronnen voor goed gietwater beschikbaar zijn: Hemelwater Zoet grondwater Brak grondwater Oppervlaktewater Leidingwater Effluent RWZI Bedrijfsafvalwater glastuinbouw Welke gietwaterbron in zijn algemeenheid (landelijk) de voorkeur heeft, is niet te zeggen. Elke bron brengt bepaalde eigenschappen en voor- en nadelen met zich mee. Deze zijn vaak heel verschillend van aard en daardoor niet goed objectief tegen elkaar af te wegen. Daarnaast is de beschikbaarheid van een bron mede afhankelijk van lokale omstandigheden. Zo is in het Westland op korte afstand effluent van een RWZI beschikbaar (Harnaschpolder), terwijl dit in Boskoop niet het geval is. Welke gietwaterbron de voorkeur heeft moet daarom regionaal worden afgewogen worden, waarbij alle ontwikkelingen in een gebied in samenhang en integraal worden beschouwd. Beleidsmatig heeft het ministerie van I&M de voorkeur om uit te gaan van de volgende bronnen van gietwater (in volgorde): collectieve voorziening door opwerking effluent collectieve voorziening door productie bij een drinkwaterbedrijf collectieve dan wel individuele voorziening met hemelwater gebruik van zoet grondwater gebruik van drinkwater gebruik van brak grondwater met brijnlozing in de bodem gebruik van oppervlaktewater met onbekende bestemming voor het brijn Het ministerie heeft als uitgangspunt dat preventie boven hergebruik gaat, en hergebruik boven het gebruik van primaire bronnen. In het kader van duurzaamheid en de cyclische economie, zou voor de lange termijn ingezet moeten worden op de eerste drie opties. Hierdoor raken de laatste 4 opties op termijn uit gefaseerd. Overigens wordt door de sector toegewerkt naar een (nagenoeg) emissievrije glastuinbouw in 2027, waardoor de behoefte aan gietwater zal verminderen en op termijn het lozen van brijn niet meer benodigd is. De belangrijkste aandachtsvelden zijn daarbij: Voorkomen van het ontstaan van restwater Hergebruik van restwater Zuivering van restwater Gebiedsgerichte projecten

Rechtspraak bij dit artikel