Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Op grond van artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit zijn er een drietal momenten dat bodemonderzoek verplicht is:
Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. De resultaten van het nulsituatie bodemonderzoek worden binnen drie maanden na oprichting van de inrichting toegezonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 1). Een uitzondering hierop is dat een IPPC-installatie op grond van artikel 4.3 lid 1 van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (MOR) [29] een onderzoeksrapport moet aanleveren voor de start van de activiteiten.
Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat het nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit. Het bevoegd gezag stelt dit met een ‘maatwerkvoorschrift’ vast, zijnde een besluit (art. 2.11, lid 2).
Wanneer een dergelijke inrichting wordt beëindigd, of de IPPC-installatie, of na beëindiging van het opslaan van een vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse tank. De resultaten van het eindsituatiebodemonderzoek worden binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de beëindiging van opslag in een ondergrondse tank verzonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 3).