Hoewel conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) bij bodembedreigende activiteiten altijd een nulsituatie bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, blijkt uit diverse jurisprudentie van de Raad van State, dat bij een bedrijf met een verwaarloosbaar bodemrisico geen nulsituatie bodemonderzoek verlangd mag worden zonder een deugdelijke motivering.
Voor de mogelijke mate van bodemverontreiniging speelt naast de omvang ook de aard van de gebruikte stoffen een belangrijke rol. Het risico op bodemverontreiniging alsmede de ernst en omvang hiervan is in grote mate gerelateerd aan de mobiliteit van de stof.
Gelet op het voorgaande, zal de gemeente Best het al dan niet verlangen van een nulsituatie bodemonderzoek af laten hangen van zowel de omvang van de betreffende activiteit, alsmede de aard van de verontreinigende stof, overeenkomstig tabel 4.1. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen agrarische en niet-agrarische bedrijven.
Tabel 4.1:noodzaak nulsituatiebodemonderzoek in relatie tot omvang activiteit en aard stoffen
Aard
Omvang
NRB
Voorziening
0-sit.*)
Immobiel : t/m 200 l of kg mobiel : t/m 100 l of kg zeer mobiel : t/m 25 l of kg
Zeer gering
Blijft buiten beschouwing
Waar nodig beperkte voorschriften ter bescherming van de bodem
Nee
Immobiel : onbeperkt mobiel : t/m 5.000 l of kg zeer mobiel : t/m 1.000 l of kg
Gering
Verwaarloosbaar bodemrisico
Vloeistofkerende voorziening
Nee
Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Nee
Immobiel : n.v.t. mobiel : > 5.000 l of kg zeer mobiel : > 1.000 l of kg
Aanzienlijk
Verwaarloosbaar bodemrisico
Vloeistofkerende voorziening
Ja
Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Nee
*) 0-sit.: nulsituatie bodemonderzoek
Eisen nul- en eindsituatiebodemonderzoek
Het nulsituatiebodemonderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 [14] en uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige belasting (NUL) of de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige ondergrondse opslagtank(s) (NUL-OO).
Een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens dezelfde strategie en op dezelfde plaats als het voorgaande nulsituatie bodemonderzoek. Indien geen nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is kan een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek plaatsvinden volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijk bodembelasting met duidelijke verontreinigings-kern (VEP) of volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtank(s) (VEP-OO).
Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodem-bedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden (art. 2.11, lid 8, Activiteitenbesluit). Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek niet doorboord of anderszins aangetast (art. 2.11, lid 9, Activiteitenbesluit). Er kan in dat geval worden volstaan met onderzoek van het grondwater aan de stroomafwaartse zijde zo dicht mogelijk bij de bron.
Voor het bepalen van de benodigde analyses kan gebruik gemaakt worden van het overzicht kritische paramaters, zie bijlage 8.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3
Artikel 4.3.3
Nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek
Onderdeel van Nota bodembeheer gemeente Best