3.1.1 Bekendheid van een woning
De eerste groep van de omstandigheden heeft betrekking op de noodzaak om de bekendheid van een woning als drugsadres teniet te doen.
De burgemeester is van mening dat de bekendheid van een woning als drugsadres groter is als in de woning de daadwerkelijke drugshandel aan de eindgebruiker plaatsvindt. Dat is het geval wanneer er aanwijzingen zijn dat de drugs verkocht of verstrekt worden aan eindgebruikers. Dat in tegenstelling tot de situatie waarin in een woning een hennepkwekerij opgericht is. Aannemelijk is dat een woning in de laatst bedoelde situatie minder bekend is. Degene die een hennepkwekerij opricht, weet meestal aan wie de hennep verkocht kan worden. Een woning waarin de daadwerkelijke drugshandel aan eindgebruikers plaatsvindt, heeft echter meer bekendheid nodig zodat meer potentiële klanten daarvan weten. Daarnaast is het moeilijker om de daadwerkelijke drugshandel geheim te houden, dan een hennepkwekerij. Om die reden wordt er onderscheid gemaakt tussen aanwijzingen dat drugs zijn verkocht dan wel verstrekt en aanwijzingen dat drugs zijn verkocht dan wel verstrekt aan eindgebruikers. Onder eerste categorie van aanwijzingen worden gevallen verstaan waarbij indicaties zijn dat drugs niet voor het eigen gebruik, maar bijvoorbeeld aan de tussenpersoon (voor de doorverkoop) zijn verkocht dan wel verstrekt. Dat is het geval als bijvoorbeeld de politie constateert dat er meerdere oogsten zijn geweest en hennepplanten niet gevonden zijn. Het is dan aannemelijk dat de hennep verkocht dan wel verstrekt is. Als er slechts een handelshoeveelheid drugs gevonden wordt en er geen aanwijzingen zijn dat de drugs verkocht dan wel verstrekt zijn, wordt er verondersteld dat de bekendheid van de woning laag is. Dat is het geval wanneer iemand niet zo lang geleden een hennepkwekerij heeft opgericht en nog niet heeft geoogst.
**•.** aanwijzingen dat drugs zijn verkocht dan wel verstrekt- 1 of aanwijzingen dat drugs zijn verkocht dan wel verstrekt aan eindgebruikers- 2
3.1.2 Herstel van de rust in de directe omgeving
De tweede groep van omstandigheden staat in verband met de noodzaak om de rust in de directe omgeving te doen wederkeren. Uit omstandigheden moet blijken dat er sprake is van onrust in de directe omgeving. Als er klachten van omwonenden bij de politie of de gemeente bekend zijn omtrent de wijze van gebruik van de woning, is dat voldoende reden om aan te nemen dat er sprake is van onrust. Deze categorie kan maximaal 1 punt opleveren.
**•.** klachten van omwonenden – 1 of Politie of afdeling toezicht constateert onrust – 1
3.1.3 Voorkomen van herhaling
De derde groep van omstandigheden ziet op het voorkomen van de herhaling van de drugshandel (waaronder begrepen: het houden van een hennepplantage). Het gaat hier over de inschatting van het risico dat de drugshandel opnieuw in deze woning plaatsvindt. Het aantreffen van een hennepkwekerij in een woning vergroot de kans op herhaling. De kans dat er in een woning een hennepkwekerij wordt aangetroffen wordt groter geacht indien in de betreffende woning reeds eerder al een hennepkwekerij is aangetroffen dan wanneer dit niet het geval is. Daarnaast is de burgemeester van mening dat het risico groter is als de drugshandel door de eigenaar geschiedt, dan wel als de hennepkwekerij door de eigenaar (mede) is opgericht.
Is sprake van verhuur en is de huurder zelf verantwoordelijk voor de drugshandel/hennepkwekerij en zijn er geen aanwijzingen dat de eigenaar/verhuurder het redelijkerwijs had kunnen vermoeden, is het risico op herhaling kleiner. Als de eigenaar wist of kon weten dat de huurder al eerder de Opiumwet heeft overtreden, wordt bijvoorbeeld verondersteld dat de eigenaar het redelijkerwijs had kunnen vermoeden. De eigenaar/verhuurder moet kunnen aantonen dat hij de huurovereenkomst heeft beëindigd of alles daartoe in het werk stelt. Het risico van herhaling wordt namelijk nog kleiner als de eigenaar/verhuurder de huurovereenkomst beëindigt. Als de huurovereenkomst niet beëindigd wordt, kan de huurder verder gebruik maken van de woning waardoor kans op herhaling groter wordt.
Als er al eerder is opgetreden op grond van art. 13b Opiumwet met betrekking tot de woning, is de kans op herhaling groter. Onder eerdere toepassing van artikel 13b Opiumwet wordt verstaan zowel een geregistreerde waarschuwing alsmede een daadwerkelijke sluiting. De burgemeester kijkt hierbij naar toepassingen binnen 5 jaar na het versturen van het laatst afgegeven sluitingsbesluit.
**•.** het aanwezig zijn van een handelshoeveelheid drugs - 1
**•.** drugshandel/hennepkwekerij door de eigenaar - 2
**•.** drugshandel/hennepkwekerij door de huurder en er zijn aanwijzingen dat de eigenaar/verhuurder het redelijkerwijs had kunnen vermoeden – 1
**•.** drugshandel/hennepkwekerij door de huurder en de eigenaar heeft de huurovereenkomst niet beëindigd- 1
**•.** tweede toepassing van art. 13b Opiumwet m.b.t. de woning – 3
of derde toepassing van art. 13b Opiumwet m.b.t. de woning – 6
of vierde toepassing van art. 13b Opiumwet m.b.t. de woning – 10
3.1.4 Aantasting woon-/leefklimaat
De vierde groep van omstandigheden heeft betrekking op het voorkomen van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat. Uit de omstandigheden moet blijken dat het woon- en leefklimaat is aangetast. Dit zou bijvoorbeeld kunnen zijn als op basis van klachten van omwonenden kan worden geconcludeerd dat er niet alleen maar sprake is van onrust in de omgeving, maar ook van aantasting van het woon- en leefklimaat. Een aanwijzing hiervoor kan zijn het gebruik van drugs in de directe omgeving van de bewuste woning. Daarnaast wordt de handel in harddrugs als een ernstiger verschijnsel voor de omgeving beoordeelt dan de handel in softdrugs. Gezien het Nederlandse gedoogbeleid omtrent softdrugs is handel in softdrugs iets meer geaccepteerd dan de handel in harddrugs.
**•.** drugsgebruik in de directe omgeving- 2
**•.** aanwijzingen dat harddrugs zijn verkocht dan wel verstrekt- 2
3.2 Artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Erkend wordt dat de toepassing van het sluitingsbeleid ingrijpende (financiële) gevolgen heeft of kan hebben voor zowel de gebruikers als de eigenaren van woningen. Er is echter door de gebruikers en mogelijk tevens door de eigenaren van de woningen ook financieel voordeel behaald uit de illegale verkoop van drugs. Daarnaast is de zwaarte van de maatregel gerechtvaardigd omdat handel in drugs (zowel soft- als harddrugs) verboden is bij wet, en pas in zwaarte wordt opgebouwd na herhaling(en) van de overtreding(en). Bovendien moet het sluitingsbeleid voorkomen dat er een nog sterkere verplaatsing van drugshandel naar woningen gaat plaatsvinden, met alle gevolgen van dien (verloedering van de woonomgeving).
Er is voorts gekozen voor een minimale sluiting van 3 maanden omdat een kortere tijdelijke sluiting niet volstaat als het gaat om het daadwerkelijk en structureel terugdringen van de illegale drugshandel vanuit woningen. De bekendheid van de locatie als verkooppunt van drugs blijft immers enige tijd bestaan. Van een langere sluiting mag in die zin meer effect worden verwacht. Ook strekt de sluiting ertoe anderen er van af te houden over te gaan tot vestiging van een illegaal verkooppunt in een woning.
Artikel 13b van de Opiumwet voorziet in een wettelijke grondslag in het nationale recht voor een beperking van de persoonlijke levenssfeer. Dit artikel voldoet aan de eisen van voorzienbaarheid en toegankelijkheid. Het doel dat wordt gediend met artikel 13b van de Opiumwet sluit ook aan bij het doelcriterium “voorkoming van strafbare feiten” zoals opgesomd in artikel 8, tweede lid van het EVRM.
Daarnaast worden ook rechten van anderen, in dit geval omwonenden, beschermd: aan intimidatiepraktijken wordt een einde gemaakt en overlast wordt weggenomen. Daardoor kunnen omwonenden het recht op ongestoord genot van hun woning weer ten volle uitoefenen. Artikel 13b van de Opiumwet dient dus de door het EVRM genoemde gerechtvaardigde belangen. De ontwikkeling die de illegale verkoop vanuit woningen heeft doorgemaakt, maakt de sluiting ervan bovendien noodzakelijk en rechtvaardigt ook de bevoegdheid om tegen in woningen gevestigde illegale verkooppunten op te treden. Artikel 13b van de Opiumwet voldoet daarmee aan de eisen van artikel 8 EVRM. Tot slot kan er in dit kader op worden gewezen dat de uitoefening van de bevoegdheid tot sluiting met verschillende waarborgen is omkleed. Er wordt opgetreden op grond van een vooraf bekendgemaakt beleidsregel waarbij in de regel (mits het gaat om softdrugs en geen andere ernstige omstandigheden bekend zijn) na een eerste constatering van overtreding van de Opiumwet wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
Deze overweging is terug te zien in de beide handhavingsmatrices. In geval van drugshandel in lokalen wordt eerder tot sluiting overgegaan.
3.3 Handhavingsmatrix woningen
Score
Maatregel
1 -4
Waarschuwing
5 – 7
Sluiting voor 3 maanden
8 – 11
Sluiting voor 1 jaar
12 - …
Sluiting voor onbepaalde tijd
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Omstandigheden
Onderdeel van Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Gemeente Renkum