In het belang van de openbare orde, leefbaarheid en verkeersveiligheid is het gewenst aan standplaatsen getalsmatig beperkingen te stellen. Er moet daarom dus beleidsruimte zijn om verzoeken om vergunning af te wijzen. Een afwijzende beschikking is onvoldoende gemotiveerd als daarin uitsluitend zou worden gewezen op de omstandigheid dat het maximum aantal standplaatsvergunningen op enig moment al zou zijn verleend.
Een doelmatig beleid wordt gevoerd, indien de weigeringsgronden worden afgestemd op de plaatselijke lokale omstandigheden. Hierop slaat het begrip maximumstelsel.
Uit de rechtspraak blijkt dat het geoorloofd is een maximumstelsel te hanteren. De rechter gebruikt de volgende sleutelredenering: aangezien door het bestuursorgaan vanzelfsprekend niet ongelimiteerd vergunningen verleend kunnen worden, is een bepaalde maximering toegestaan.
Via zo'n maximumstelsel kunnen aan de vergunningen beperkingen worden gesteld. Daaruit volgt dat er bepaalde vaste locaties aangewezen dienen te worden, terwijl aan de standplaats verdere beperkingen kunnen worden gesteld qua branche, tijden en dagen. Het aantal te vergunnen standplaatsen moet enerzijds aansluiten op de vraag, waarbij de omvang van het verzorgingsgebied een rol speelt en anderzijds worden gerelateerd aan het overige winkel- en productaanbod.
Standplaatsen kunnen op grond van een particulier worden ingenomen (voorbeeld: viskraam op parkeerterrein SPAR in Heelsum). De grondeigenaar moet daarmee instemmen en het vergunningsvereiste blijft gelden. Aandachtspunt daarbij is het aantal kramen op particuliere grond: voorkomen moet worden dat zonder instemming nieuwe (week)markten ontstaan.