In het Koersdocument is een vijftal primaire gebouwkwaliteiten geformuleerd, welke zijn ontleend aan de karakteristiek en het DNA van de werkplaats.
Primaire gebouwkwaliteiten Koersdocument
Voor de Beleidsregels zijn de Primaire gebouwkwaliteiten, nader uitgewerkt in de “Codes van de Spoorzone”. De Codes geven inhoud en concretisering aan de geformuleerde primaire gebouwkwaliteit. De codes zijn integraal onderdeel van de stedenbouwkundige regie en worden bij de verdere architectonische uitwerking expliciet gemaakt. Met als resultaat een hoogwaardige ruimtelijke en architectonische kwaliteit binnen een cultuurhistorische context.
Er is sprake van gebouwen uit verschillende tijdsperioden (gerestaureerd, geheel of gedeeltelijk geherstructureerd, geheel vernieuwd). Door hun rauwe ongepolijstheid en door hun verschillende herkomst, functie en uitstraling gaan ze met elkaar in dialoog en vertellen ze gezamenlijk het verhaal van de Spoorzone.
De constructie van een gebouw is pragmatisch, repetitief en tijdsgebonden, zorgt inpandig voor een weidse, open en doorwaadbare ruimtelijkheid en is aan de buiten- en binnenkant ervan goed afleesbaar.
Door de invulling en vormgeving van de plint alsmede door de wisselwerking met de buitenruimte staat een Spoorzone-gebouw op de grond en is het ontworpen vanuit het gegeven: zwaartekracht.
Een gebouw in de Spoorzone heeft aan de bovenzijde een duidelijke beëindiging; het hoofdvolume wordt aan de bovenzijde van een kader voorzien door middel van een herkenbare en expressieve ‘bekroning’.
Een gebouw in de Spoorzone wordt gekenmerkt door een heldere ritmiek; structuren of motieven worden met regelmatige tussenpozen herhaald op zo’n manier dat er een spanningsvol geheel ontstaat.
Een gebouw in de Spoorzone kent een karakteristieke verticale gevelgeleding, dat wil zeggen dat er sprake is van een afwisseling van open en gesloten geveldelen waardoor een verticaal lijnenspel, dieptewerking en clair-obscur ontstaan. Hierbij kan voorts nog onderscheidt gemaakt worden tussen de verschillende gevels van solitaire en alzijdige gebouwen.
De lichttoetreding van de gebouwen in de Spoorzone vraagt speciale aandacht; door de inval van daglicht van opzij, van boven, onder verschillende invalshoeken en van onder mogelijk te maken ontstaan er in de gebouwen onverwacht lichte plekken. De soms donkere uitstraling van de massieve bakstenen gevels van de Spoorzone wordt zo van binnen ruimschoots gecompenseerd door een feest van licht.
In de Spoorzone zijn/ komen hier en daar forse gebouwen. Als gemeenschappelijk kenmerk hebben de gebouwen dat de menselijke maat er altijd en overal in afleesbaar is. Ze zijn ondanks hun kloeke voorkomen als het ware esthetisch verfijnd en teruggeschaald naar de menselijke maat.
De gebouwen in de Spoorzone refereren door hun organisatie aan de hand van transversale lijnen (evenwijdig en haaks op het spoor) en door de annexen en voorruimtes voor ingaan – even ‘rangeren’ en ‘opstellen’ – en weer uitgaan aan de metafoor van komen & gaan die de Spoorzone kenschetst.
Refererend aan de ‘zwierigheid’ van de sporen en de boogstralen in de Spoorzone (die verwijst naar het van richting veranderen) wordt er in het ontwerp van elk gebouw van de Spoorzone gezocht naar de variatie op het hoofdthema dat in het ontwerp is ingezet. Zo kan elk gebouw een eigenzinnige ‘twist’ en een verdraaiing van een anders te vast stramien meekrijgen. En kan het geheel een ‘dansant’ karakter vormen.
De hierboven genoemde codes dragen er aan bij, dat de gebouwen in de verschillende onderdelen van de Spoorzone elk een eigen karakteristiek gezicht hebben, maar desondanks samen één familie van gebouwen vormen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.5
Artikel 2.5.5.
Beeldtaal en DNA van de Spoorzone
Onderdeel van Beleidsregels ruimtelijke structuur Spoorzone 2019, deelgebied Zwijsen