Dit hoofdstuk omvat de welstandscriteria bedoeld voor kleine- en middelgrote bouwplannen die passen binnen de bestaande ruimtelijke structuur. De criteria zijn daarom gebaseerd op de bestaande architectonische vormgeving en de bestaande ruimtelijke kwaliteit. De bestaande karakteristieken zijn vertaald in criteria met als doel dat het bouwwerk zich optimaal voegt binnen de bestaande omgeving.
Op grond van de bebouwingskarakteristiek is allereerst een indeling gemaakt in gebiedstypen, zoals weergegeven op de deelgebiedenkaart (zie figuur 3.1). Vervolgens is per gebiedseenheid het daarbij te hanteren welstandsregime bepaald. Elk van de drie regimes bevat een bandbreedte van beoordelingsaspecten, die van soepel naar streng oplopen in aantal. Uitgangspunt bij de toedeling van een regime is de standaardformule. Wanneer een gebiedseenheid vanwege zijn kwetsbaarheid vraagt om meer aandacht is het strenge regime gekozen. Is er daarentegen juist sprake van een relatief groot incasseringsvermogen dan is het soepele regime toegekend. Daarnaast hebben de cultuurhistorische of landschappelijke omgevingskwaliteiten een rol gespeeld, met name in de toekenning van het strenge regime.
Voor elk (deel)gebied is een beoordelingkader opgesteld. Dit omvat een beschrijving van het gebied, een waardebepaling en de voor het gebied uitgewerkte set welstandscriteria.