In de Richtlijn worden de volgende minimale eisen gesteld voor het beoordelen van de gebiedsindeling:

• Per deelgebied dienen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar te zijn

• De waarnemingen dienen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied te liggen

• Voor elk deelgebied waarvoor voldoende informatie beschikbaar is, wordt vastgesteld of de indeling in deelgebieden optimaal is, waarmee bedoeld wordt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of variabiliteit

Op basis van de resultaten (zie ook hoofdstuk 4 en 5) kan worden gesteld dat aan bovenstaande eisen over het aantal waarnemingen en de ruimtelijke spreiding wordt voldaan voor de 38

PFAS-stoffen waarvoor de bodemkwaliteitskaart is opgesteld omdat:

• In meer dan 20 waarnemingen per zone beschikbaar zijn

• De heterogeniteitsberekeningen conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (opgenomen in de percentielbladen van bijlage 4) aantonen dat er sprake is van weinig heterogeniteit, met uitzondering van PFOS in de bovengrond. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat het verschil tussen de voorlopige achtergrondwaarde en de maximale toepassingsnorm relatief klein is vergeleken met andere parameters

Uitzondering is de aangetroffen heterogeniteit voor meerdere stoffen in twee zandvangers uit de categorie ‘Vrij Toepasbaar’. Op basis van deze resultaten zijn twee locaties uitgesloten, te weten zandvanger 606 en 609 (zie paragraaf 5.5) Opgemerkt wordt dat hierdoor in de zone zandvangers vrij toepasbaar minder dan 20 waarnemingen beschikbaar zijn. Conform de Richtlijn zijn er dan te weinig waarnemingen om de bodemkwaliteitskaart op te stellen. Omdat de beleidsregels voor de zandvangers aanvullend onderzoek op PFAS voorschrijven en de kaart dus niet als bewijsmiddel wordt gebruikt is uitbreiding van de dataset niet nodig.

Op basis van de aangetroffen resultaten kan nog worden overwogen om voor PFAS de zandvangerzones samen te voegen.