Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.2.

Persoonsgebonden gedoogbeschikking

Onderdeel van Beleidsnotitie Permanente bewoning van recreatieverblijven

Met de brief van 11 november 2003 heeft de minister aangegeven geen bezwaar te hebben als gemeenten persoonsgebonden beschikkingen gaat afgeven. Het moet hier dan gaan om gevallen waarbij de bewoning van recreatiewoningen al vanaf 31 oktober 2003 plaatsvindt. Gevallen van permanente bewoning ná die datum kunnen niet in aanmerking komen voor een persoonsgebonden beschikking. Deze peildatum moet door gemeenten worden aangehouden tenzij zij aan kunnen geven dat zij voor deze datum actief handhavend optraden tegen permanente bewoning. De wettelijke mogelijkheden om een persoonsgebonden beschikking te verlenen heeft in de loop der jaren enkele wijzigingen ondergaan. Zo was het met ingang van 1 juni 2007 mogelijk om op basis van artikel 19 lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een vrijstelling te verlenen voor het onrechtmatig bewonen van recreatiewoningen. Op 1 juli 2008 trad de nieuwe Wet ruimtelijke ordening(Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking. De vrijstelling van de WRO werd vervangen door de ontheffing op basis van artikel 3.23 lid 1 Wro. De voorwaarden voor de mogelijkheid voor het verlenen van de ontheffing was opgenomen in artikel 4.1.1 eerste lid, onderdeel j. Bro. Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010 is de persoonsgebonden omgevingsvergunning geïntroduceerd. Deze vergunning is mogelijk op basis van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo In artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2 Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning kan worden verleend onder bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. De bedoelde amvb is het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 4, onderdeel 10 van Bijlage II van het Bor zijn de criteria opgenomen voor het verlenen van de persoonsgebonden omgevingsvergunning. De vier gestelde eisen zijn: de recreatiewoning moet voldoen aan de bij of krachtens de Woningwet aan de bestaande woning gestelde eisen; de bewoning mag niet in strijd zijn met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; de bewoner had op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik en bewoont deze sindsdien onafgebroken en de bewoner was op 31 oktober 2003 meerderjarig. Daarnaast is in artikel 5.18 Bor bepaalt dat de omgevingsvergunning slechts geldt voor diegenen aan wie de vergunning is verleend en dat in de vergunning wordt bepaald dat deze slechts geldt voor de termijn gedurende de periode dat de vergunninghouder de betreffende recreatiewoning onafgebroken bewoond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel