In de huidige wetgeving wordt geen onderscheid gemaakt tussen “bedrijfswoningen” en zogenoemde “burgerwoningen”. In de wet wordt slechts gesproken van een woning als geluidgevoelig object. In dit beleid wordt hier wel een onderscheid gemaakt.
Gezien de wijziging van de regel dat de bestemde functie bepalend is en niet het feitelijke gebruik, zal bij toetsing moeten worden uitgegaan van de bestemming.
Staan er woningen op een aantal naast elkaar liggende percelen met een bedrijfsbestemming, maar dit gebied heeft geen bestemming bedrijventerrein dan geldt voor de woningen de standaardvoorschriften voor overig gebied.
Woningen daarentegen op een bedrijventerrein hebben in het Activiteitenbesluit en de Bruidsschat standaard een hogere waarde.
Het kan dus van belang zijn of de bestemming bedrijventerrein op een gebied rust.
Bedrijven op een bedrijventerrein hebben dus een voordeel. En dat is waarschijnlijk om te stimuleren dat bedrijven naar een bedrijventerrein gaan. Echter er zijn binnen de gemeente ook plekken waar 2 of meer bedrijven met bijbehorende woningen bij elkaar liggen. Deze woningen kunnen over en weer beperkend werken, terwijl als ze op een bedrijventerrein hadden gestaan deze beperking niet hadden gekend. Het betreft daarbij vaak bedrijven die nooit op een bedrijventerrein zullen worden gevestigd en dus nooit gebruik kunnen maken van dit voordeel. Naast elkaar liggende agrarische bedrijfswoningen of winkels met boven- of naastliggende bedrijfswoning zijn daarvan een voorbeeld.
Maar om elk gebied waar zich dat voordoet aan te merken als bedrijventerrein gaat te ver. Dit geluidbeleid geeft hiervoor een ander uitgangspunt.
College van Burgemeester en Wethouders kunnen op de in de nabijheid liggende bedrijfswoningen van derden een hogere waarde vaststellen dan de standaardwaarde. De geldende standaardwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voor woningen in overig gebied niet zijnde bedrijventerrein, mag bij bedrijfswoningen eenmalig worden verhoogd tot maximaal 55 dB(A)10Voldoet aan het maximaal toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT)van de Handreiking en aan artikel 5.66 van het Bkl..
Bedrijfswoningen die behoren bij, en een functionele binding hebben met een bedrijf, zijn al uitgesloten van toetsing aan het eigen bedrijf. Maar hoe ga je om met bedrijfswoningen die eerst wel en dan niet meer verbonden zijn met dat bedrijf? Volgens de regel moet het bedrijf dan voldoen aan de waarden die gelden voor woningen van derden. In beginsel is de verkoper verantwoordelijk die het bedrijf of de woning afzonderlijk verkoopt. Toch komen er regelmatig gevallen naar voren, waar afzonderlijke verkoop essentieel is. In dit beleid wordt hiervoor een mogelijkheid geschapen.
College van Burgemeester en Wethouders kunnen een bedrijf een hogere waarde toestaan op een woning die eerder functioneel verbonden was aan een bedrijf. De geldende standaardwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voor woningen in overig gebied als bedoeld in het Activiteitenbesluit, mag bij voormalige bedrijfswoningen eenmalig worden verhoogd tot 55 dB(A).11Voldoet aan het maximaal toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) van de Handreiking en aan artikel 5.66 van het Bkl. Dit is ongeacht de nieuwe bestemming van de woning.
Het vaststellen van een hogere waarde kan op grond van een bestuurlijke afweging door het bevoegd gezag worden toegestaan. De hiervoor in hoofdstuk 8 gestelde afwegingscriteria behoeven daarvoor niet stringent te worden gevolgd. Belangrijk is wel het binnenniveau in de woning waarvoor die hogere waarde wordt toegestaan.
Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) binnen in een geluidgevoelige ruimte van een geluidgevoelige object waarvoor de hogere waarde wordt bepaald mag niet hoger zijn dan 35 dB(A) etmaalwaarde12Hiermee wordt ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voldaan aan §3.3 van de Handreiking en artikel 5.66 lid 2 van het Bkl.;
Het maximaal geluidniveau (LAmax) binnen in een geluidgevoelige ruimte van een geluidgevoelige object waarvoor de hogere waarde wordt bepaald mag niet hoger zijn dan 55 dB(A) etmaalwaarde13Hiermee wordt ten aanzien van het maximaal geluidniveau (LAmax) voldaan aan §3.3 van de Handreiking en artikel 5.66 lid 2 van het Bkl.;
Kan niet aan deze regels voor het binnenniveau worden voldaan, dan kan de aanvrager middelen ter beschikking stellen om voorzieningen aan te brengen teneinde wel te kunnen voldoen. Als er bezwaren zijn van bouwkundige aard of de eigenaar van het geluidgevoelige object waarop een hogere waarde wordt bepaald wenst niet mee te werken, dan neemt het college dit mee in de afwegingen.
Ook hier geldt (zie hoofdstuk 8) dat het college een hoger binnenniveau kan toestaan tot 40 dB(A).
Met het van kracht worden van de Bkl komt hier nog een mogelijkheid bij.
College van Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat geluidvoorschriften voor een bedrijf niet van toepassing zijn op een woning die eerder functioneel verbonden was aan dat bedrijf. Dit is ongeacht de nieuwe bestemming van de woning14Artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het niet van toepassing zijn van geluidsvoorschriften zal pas kunnen worden gebruikt na het van kracht worden van het Bkl. Deze mogelijkheid wordt alleen in bijzondere situaties gebruikt.
In dit beleid wordt duidelijk en expliciet aangegeven dat het college van Burgemeester en Wethouders hogere waarden kunnen toestaan. Er is dus geen sprake van een recht. Een hogere waarde zoals aangegeven in dit hoofdstuk zal niet automatisch worden toegepast.