Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 3

Vergunningplicht

Onderdeel van Lozingsverodening riolering 1994

1.. Het is verboden een inrichting die door middel van een werk afvalwater of afvalstoffen op de riolering kan lozen of loost zonder een daartoe verleende vergunning van burgemeester en wethouders: a. op te richten of in werking te hebben; b. uit te breiden of te wijzigen voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheden van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel tot een wijziging van de tijdsduur van de lozingen. 2.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die behoren tot een door burgemeester en wethouders aangewezen categorie, waarvoor door burgemeester en wethouders nadere regels zijn gesteld. Van het oprichten, het in werking hebben of het uitbreiden dan wel wijzigen geeft degene die de inrichting drijft kennis volgens de regels van artikel 4. 3.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen waarvan de lozing uitsluitend bestaat uit met huishoudelijk afvalwater overeenkomend bedrijfsafvalwater. 4.. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. afdeling 2 lozen overeenkomstig nadere regels na kennisgeving

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel