Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1

Wet op de archeologische monumentenzorg

Onderdeel van Beleidsnota Archeologie Hoeksche Waard

Op 16 januari 1992 werd in Valletta, de hoofdstad van Malta, op initiatief van de Raad van Europa het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed ondertekend. Het doel van dit Verdrag van Valletta (of Verdrag van Malta) is de bescherming van het archeologische Erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie (art. 1). De Europese bevolking moet in staat worden gesteld om kennis te nemen van en begrip te ontwikkelen over het verleden. In het verdrag is bewustmaking van het brede publiek specifiek opgenomen omdat dit bijdraagt aan de bescherming van het bodemarchief en de betrokkenheid van de bewoners (art. 9). Ten einde op een zorgvuldige wijze met het archeologische bodemarchief om te gaan, is het noodzakelijk om archeologische belangen te verankeren in het ruimtelijke ordeningsbeleid en tijdig te betrekken bij ruimtelijke planontwikkelingen. Archeologische belangen dienen in de totale belangenafweging bij ruimtelijke ingrepen een wegingsfactor te zijn en behoud in de grond (in situ) prevaleert (art. 5). In het verdrag is opgenomen dat er in een financiële regeling dient te zijn vastgelegd welke partij de kosten draagt die noodzakelijk zijn om de archeologische belangen als wegingsfactor bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen betrekken. Hiertoe is het principe “de verstoorder betaald” geïntroduceerd (art. 6). Door de ratificatie van het Verdrag van Valletta verplichtte Nederland zich om het gedachtegoed van het verdrag in de Nederlandse wetgeving te implementeren. Dit proces heeft bijna 15 jaar in beslag genomen. Dit omdat het een totale herziening van het archeologisch bestel betekende, maar ook vanwege belangrijke wijzigingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Op 19 december 2006 werd het voorstel voor de Wet op de archeologische monumentenzorg door de Eerste Kamer der Staten Generaal aangenomen. De wet is pas op 1 september 2007 van kracht geworden, omdat voorafgaande aan de inwerkingtreding een Algemene Maatregel van Bestuur moest worden vastgesteld. In het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) zijn enkele wetsartikelen nader uitgewerkt, waaronder de vergoedingsregeling voor excessieve kosten bij archeologisch onderzoek. Met de invoering van de Wamz is decentralisatie van taken en bevoegdheden ten aanzien van de zorg voor het archeologische bodemarchief een feit. Gemeenten hebben –uitzonderingen daargelaten – het primaat als het gaat om archeologiebeleid. Als bevoegd gezag wordt de gemeente geacht het bodemarchief op verantwoorde wijze te beheren. Bij bodemverstorende ingrepen zal de gemeente moeten beslissen over in het geding zijnde archeologische waarden. Om de belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, moeten gemeenten over archeologiebeleid en een daarbij behorend instrumentarium beschikken. Dit impliceert dat de gemeente beleidsvrijheid heeft en de regie over de ruimtelijke ontwikkelingen op het gemeentelijke grondgebied in handen houdt. Het Verdrag van Malta pleit, naast bescherming van de archeologische waarden door toetsing, planaanpassing en onderzoek, nadrukkelijk voor preventie. Om aan te sluiten op bestaande wet- en regelgeving, zijn gemeenten verplicht om gemeentelijk archeologiebeleid in te bedden in het proces van ruimtelijke ordening. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van bestaande beleidsinstrumenten, zoals het bestemmingsplan en het vergunningenstelsel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel