Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Geologie en geomorfologie

Onderdeel van Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard

Pleistoceen Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, werd in grote delen van Nederland door de wind een pakket zeer fijn tot matig grof zand afgezet, ook wel dekzand genoemd. Deze afzettingen behoren tot het Laagpakket van Wierden, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Ongeveer ten zuiden van waar nu de Binnenbedijkte Maas is gelegen, bevindt dit dekzand zich in de ondergrond, waarbij de top varieert van circa 5 m –NAP in de buurt van Strijen en Strijensas tot circa 15 m –NAP in de buurt van Nieuwendijk (respectievelijk circa 5 m en 15 m beneden maaiveld). In de noordelijke helft van de Hoeksche Waard bestaat het pleistocene oppervlak uit rivierafzettingen van de Rijn en de Maas, behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Tijdens het Weichselien lag in deze omgeving een groot oost-west gericht, tot circa 10 m diep rivierdal.10Op de geologische kaart 43 Oost worden in de omgeving van Strijen enkele kleine gebiedjes weergegeven, waar het boven het Laagpakket van Wierden gelegen en hierna te bespreken Laagpakket van Wormer ontbreekt. Hoewel deze gebiedjes op de geologische kaart niet explicitiet als zodanig worden aangeduid, zijn ze mogelijk te interpreteren als opduikingen van het pleistocene zand in de vorm van rivierduinen, zoals deze elders in de Laat-pleistocene riviervlakte (Alblasserwaard, IJsselmonde) ook aanwezig zijn Het zuidelijke deel van de Hoeksche Waard was in die tijd gelegen op de zuidelijke helling van dit rivierdal, terwijl het noordelijke deel van het eiland zich in de beddingvlakte van het vlechtende riviersysteem bevond. Holoceen Het Holoceen is het tijdvak in de aardgeschiedenis waar wij nu in leven. Het begon ongeveer 10.000 jaar geleden toen de laatste ijstijd, het Weichselien, ten einde was. Het Holoceen is een relatief warme periode die gekenmerkt wordt door een grote temperatuurstijging. Door deze temperatuurstijging kon het landijs uit het Weichselien afsmelten waardoor de zeespiegel, vooral aan het begin van het Holoceen, sterk steeg. Terwijl in het oosten en zuiden van Nederland (Hoog Nederland) het vooral de pleistocene afzettingen zijn die vlak of direct aan het oppervlak voorkomen, zijn het in West- en Noord-Nederland (Laag Nederland) de holocene afzettingen die tot in de diepe ondergrond, 15 tot 20 m -NAP, de pleistocene lagen bedekken. Deze holocene afzettingen zijn ontstaan onder invloed van zowel de zee als de rivieren. De mariene (=zee-) afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, de fluviatiele (=rivier-) afzettingen tot de Formatie van Echteld en het veen tot de Formatie van Nieuwkoop. Ten gevolge van de postglaciale zeespiegelstijging en de daarmee samenhangende grondwaterstijging werd het gebied drassiger en ontstonden er moerassen. Hierdoor ontstond de Basisveen Laag (onderdeel van de Formatie van Nieuwkoop en zo genoemd omdat deze de basis vormt van het holocene pakket). De vorming van het veen hangt samen met de zeespiegelstijging, wat inhoudt dat het veen daardoor globaal van west naar oost gevormd is. Het veen groeide als het ware voor de zee uit; het oudste basisveen is dan ook te vinden in de bodem van de huidige Noordzee. De Basisveen Laag is veelal slechts een halve meter dik. Tijdens het begin van het Subboreaal (vanaf ongeveer 3000 jaar v.Chr.) stroomden grote rivieren (Rijn en Maas) door het gebied. Evenals dat tegenwoordig het geval is, was er toen sprake van een stelsel van verschillende geulen die zich vertakten en weer samenkwamen. In het noordoosten van de Hoeksche Waard bevinden zich diverse restanten van dergelijke geulen. De op de kaartbijlagen aangegeven geulen zijn op basis van verschillende bronnen te reconstrueren: Het systeem dat ten westen en ten oosten in het verlengde van de huidige Binnenbedijkte Maas was gelegen, en liep van Dubbeldam - Dordrecht - Zwijndrecht - Puttershoek - Mijnsheerenland - OudBeijerland (hierna te noemen: Binnenmaas meandergordel) is op de geologische kaart bladen 37 Oost en 43 Oost aangegeven als Afzettingen van Duinkerke (in de huidige lithostratigrafische terminologie beter bekend als Laagpakket van Walcheren, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk). Op de profielen behorende tot de geologische kaart 43 Oost zijn echter hieronder tevens geulafzettingen van de Afzettingen van Calais-Gorkum (huidige terminologie: Laagpakket van Wormer/Formatie van Echteld) weergegeven. Op de paleogeografische kaarten van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) wordt op deze plek vanaf het Vroeg-Subboreaal (circa 3000 v.Chr.) een door getijdewerking beïnvloedde meandergordel weergegeven.11Vos 2006. Het uiterste oosten van de Hoeksche Waard is gekarteerd op de paleogeografische kaarten van deRijn/Maas-delta. De hierboven beschreven geul ligt in het verlengde van de op deze kaarten als “Oude Maasje” benoemde meandergordel, die wordt gedateerd tussen 190 en 1250 n. Chr.12Berendsen & Schouthamer 2001. Ons inziens dient er nadrukkelijk op te worden gewezen, dat deze datering is gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn van buiten het onderzoeksgebied (de Hoeksche Waard) en dat de begindatering een minimale ouderdom aangeeft. De auteurs geven zelf aan, dat er op de oeverafzettingen archeologische resten zijn aangetroffen uit de Late IJzertijd; bovendien zijn er buiten het door de auteurs gekarteerde gebied op de oeverafzettingen van de in het verlengde van het “Oude Maasje” gelegen Binnenmaas-meandergordel waarnemingen van archeologische resten uit eerdere perioden (Neolithicum en Bronstijd) gemeld. Daarnaast verdient het aanbeveling, om in de Hoeksche Waard niet te spreken over het “Oude Maasje”, maar over de Binnenmaasmeandergordel, voor wat betreft de Binnenbedijkte Maas en de ten noordwesten ervan in de richting van OudBeijerland te vervolgen beddingafzettingen. Het is namelijk maar de vraag, of de Binnenmaas-meandergordel één op één aansluit op het “Oude Maasje”, zeker ook gezien de aanzienlijke verschillen in datering. Ten noorden van de Binnenbedijkte Maas is op het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) een aantal geulpatronen herkenbaar (zie afb. 1), die tot nu toe (nog) niet als zodanig op de geologische kaart zijn weergegeven. Het betreft naar alle waarschijnlijkheid zandige bedding- en oeverafzettingen van een meanderend riviersysteem, waarbij door inklinking van het omringende sediment, de geulpatronen relatief hoog zijn komen te liggen. Een nauwkeurige datering voor dit systeem valt vooralsnog niet te geven, al heeft in 1998 een archeologisch booronderzoek plaatsgevonden op een uitbreidingslocatie ten zuiden van Puttershoek (“De Grienden”), waarbij op circa 1 m beneden maaiveld oeverafzettingen werden aangetroffen met daarop aardewerk- en vuursteenfragmenten van de laatneolithische Klokbekercultuur (circa 2300 – 2100 v. Chr.).13Biemans et al. 1998. Het in 1999 uitgevoerde vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek bevestigde deze datering.14Van der Heijden et al. 1999. Afbeelding 1: Uitsnede van het AHN. Rood is relatief hoog gelegen (25 cm +NAP); blauw is relatief laag gelegen (175 cm –NAP). Tussen Heinenoord, Mijnsheerenland en Puttershoek is een aantal geulpatronen herkenbaar, die zich manifesteren als geel tot oranje gekleurde, circa 200 à 300 m brede banen. Tegen het eind van het Subboreaal (het Subboreaal duurt tot circa 700 v.Chr.) raakte het gebied (evenals het overgrote deel van West-Nederland) minder vaak overstroomd door de zee en de grote rivieren, waardoor de vegetatie zich ongestoord kon ontwikkelen tot een uitgestrekt moerasgebied. Dit resulteerde in de vorming van een dik veenpakket, het Hollandveen Laagpakket (onderdeel van de Formatie van Nieuwkoop). In de loop van het Subatlanticum (het Subatlanticum loopt vanaf circa 700 v.Chr. tot heden) kreeg de zee steeds meer invloed op het gebied. Vanuit het mondingsgebied van de Maas drong de zee binnen, met name tijdens stormvloeden, waarbij in getijdengeulen hoofdzakelijk zand en zandige klei werd afgezet en op slikken en schorren klei. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk. Hoewel het grootste deel van deze afzettingen uit het LaatSubatlanticum (de Late Middeleeuwen) lijkt te stammen (de geologische kaart maakt melding van de “Afzettingen van Duinkerke III”) zijn er vermoedelijk ook reeds in het Vroeg-Subatlanticum (in de IJzertijd, rond 500 v.Chr.) afzettingen gevormd.15De geologische kaart 43 Oost maakt voornamelijk melding van de laatmiddeleeuwse “Afzettingen van Duinkerke III”. Op sommige plaatsen, waaronder in de polder Het Oudeland van Strijen en gebieden ten noorden van de Binnenbedijkte Maas, zouden zich echter ook “Afzettingen van Duinkerke I” kunnen bevinden. Dat betekent dat er plaatselijk ook tijdens de IJzertijd overstromingssedimenten zijn afgezet. Het lijkt er zelfs op, dat er ook buiten het als zodanig op de geologische kaart aangegeven gebied uit de IJzertijd daterende overstromingssedimenten van het Laagpakket van Walcheren (zoals de “Afzettingen van Duinkerke” in de huidige terminologie bekend staan) kunnen worden verwacht. Dit blijkt uit een waarderend booronderzoek nabij Piershil, waar op het onderste aangetroffen niveau van het Laagpakket van Walcheren aardewerkfragmenten uit de Midden-IJzertijd werden aangetroffen (cat. no. I-6; Van Wilgen 2004a). Een belangrijke historische gebeurtenis vond plaats in het jaar 1421. In verschillende historische bronnen is in dat jaar de St. Elisabethsvloed gedocumenteerd, die een groot deel van de toenmalige Zuidhollandse Waard (waar het oostelijke gedeelte van de huidige Hoeksche Waard toe behoorde) heeft overstroomd. Feitelijk was er sinds het begin van de Late Middeleeuwen (dus vanaf circa de 11e eeuw n. Chr.) reeds sprake van toenemende wateroverlast in de vorm van herhaaldelijke overstromingen in het moerasgebied. Vanaf deze periode werd de mens ook een steeds meer bepalende factor voor de vorming van het landschap. Als reactie op de overstromingen werden terpen opgeworpen en ontstond vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw de eerste ringpolder van de Hoeksche Waard, de Sint Antonypolder. Andere ringpolders, ook wel “opwassen” genaamd, waren Oud-Korendijk, Oud-Piershil, Oud-Heinenoord, Het Munnikenland en het Oudeland van Strijen. In het begin van de 16e eeuw vormden deze opwassen een stelsel van kleine eilandjes in een gebied bestaande uit slikken en schorren. Later in de loop van de 16e eeuw werd vanuit de oostelijke opwaspolders richting het westen een aantal aangrenzende gebieden ingepolderd, de zogenaamde “aanwassen”. Vanaf het eind van de 16e eeuw werd de inpoldering richting het zuiden en oosten uitgevoerd. Voordat de gehele huidige Hoeksche Waard was ingepolderd, vonden er regelmatig overstromingen plaats vanuit een stelsel van erosiegeulen. In de geulen, die over het algemeen tot diep in het veen zijn ingesneden, werd overwegend zand en zandige klei afgezet (geulafzettingen), terwijl er in het buitendijkse gebied kleiige dekafzettingen werden afgezet. Hierdoor is het maaiveld in de oudste polders over het algemeen het laagst, terwijl in de jongere polders, waar in de loop der tijd meer overstromingen hebben plaatsgevonden, het sediment steeds hoger werd opgeslibd. Rond 1400 maakte het oostelijke deel van de Hoeksche Waard (ten oosten van de lijn Strijen – Maasdam – Puttershoek) deel uit van de Zuidhollandse Waard. Aan deze situatie kwam door de St. Elisabethsvloed in 1421 een eind, want toen kwam een groot deel van deze polder onder water te staan. Met name geldt dit voor het gebied ter plaatse van de huidige Biesbosch, waar de St. Elisabethsvloed (en latere overstromingen) met veel erosie gepaard lijkt te zijn gegaan. In de Hoeksche Waard is, met uitzondering van enkele plaatsen waar getijdengeulen en getijdenkreken voorkomen, volgens de geologische kaarten het oorspronkelijke Hollandveen Laagpakket nog aanwezig. In hoeverre de top van dit veen is geërodeerd als gevolg van de overstromingen, is echter niet duidelijk en zal als speerpunt dienen te worden ingezet tijdens toekomstig archeologisch (voor)onderzoek. Afbeelding 2: Inpolderingsgeschiedenis van de Hoeksche Waard. (Bron: Landschapsbeheer Zuid-Holland).

Rechtspraak bij dit artikel