Naar hoofdinhoud
De gemeente Edam-Volendam zet in voorliggende nota het gemeentelijk archeologiebeleid uiteen. Dit beleid is geformuleerd vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het publieke belang van het kwetsbare en waardevolle archeologische erfgoed dient te behartigen. Tot op heden bestond er geen vastgesteld archeologiebeleid in de gemeente Edam-Volendam. Deze beleidsnota Archeologie borduurt voort op het Verdrag van Malta dat Nederland in 1992 mede ondertekende. De uitgangspunten van het verdrag zijn in september 2007 in de nationale wetgeving van kracht geworden. De gemeente valt bovendien in Archeologiegebied Waterland en is vanwege de cultuurhistorische waarde een speerpunt van de Provincie Noord-Holland 1. (1 Zie Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit van Provincie Noord-Holland, 2010.) 1.1 . Het bodemarchief Een bewoningsgeschiedenis van vele eeuwen heeft vrijwel overal in de gemeente sporen nagelaten. Voor een betrekkelijk klein deel van deze geschiedenis bestaan schriftelijke bronnen, maar het overgrote deel van het verleden kan slechts bestudeerd worden aan de hand van overblijfselen die zich in de bodem bevinden. De bodem is als het ware een archief en vormt daarmee een belangrijke bron van kennis over het verleden. Soms zijn de relicten uit het verleden nog zichtbaar in het landschap, maar veel van de archeologische overblijfselen liggen onzichtbaar verscholen in de bodem. Het bodemarchief van de gemeente Edam-Volendam bezit een groot potentieel aan informatie over het verleden. De informatie uit het bodemarchief is eindig en herstel van wat eenmaal verdwenen is, is niet mogelijk. Wordt het bodemarchief vernietigd, bijvoorbeeld door woningbouw of infrastructurele werken, dan is de informatie voorgoed verloren. Daarbij komt ook nog dat het bodemarchief buitengewoon kwetsbaar is voor bijvoorbeeld verlaging van het grondwaterpeil. Onder de grondwaterspiegel zijn organische materialen, zoals eeuwenoude leren en houten voorwerpen, goed geconserveerd gebleven. Bovendien is de onderlinge samenhang van archeologische overblijfselen een cruciale factor in het informatiepotentieel van het bodemarchief. Is die onderlinge relatie eenmaal verstoord, door graafwerk, diepploegen of andere bodemverstorende activiteiten, dan is daarmee veel opgeslagen informatie verdwenen. 1.2 . Achtergrond van het archeologiebeleid Vanuit het besef dat als gevolg van de bodemverstorende ingrepen het bodemarchief uitgeput kan raken en derhalve een zorgvuldige omgang met het bodemarchief noodzakelijk is, is het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, ook wel Conventie van Valletta genoemd of het Verdrag van Malta, tot stand gekomen. Het voornaamste uitgangspunt van dit verdrag is behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar behoud niet mogelijk blijkt, kan de bevoegde overheid bepalen dat de informatie uit de bodem vóór de vernietiging ervan moet worden gedocumenteerd door middel van archeologisch onderzoek. Een ander belangrijk uitgangspunt van het Verdrag van Malta is het principe dat de veroorzaker, de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten waarbij het bodemarchief vernietigd wordt, de kosten van archeologisch onderzoek moet betalen. Deze twee uitgangspunten kunnen volgens het verdrag het beste gestalte krijgen door de archeologische belangen tijdig en volwaardig in het ruimtelijke planproces op te nemen. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse Monumentenwet en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg in september 2007 van kracht geworden. De wet wordt aangehaald als Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). In deze wet is het bestemmingsplan aangewezen als het meest geëigende instrument om het archeologisch erfgoed planologisch te beschermen en daarmee is de gemeente aangewezen als primair verantwoordelijk voor het behoud van het bodemarchief. 1.3 . Doel van het archeologiebeleid Omdat de Wamz gemeenten beleidsruimte biedt om, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het doel van deze nota het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De intentie van het archeologiebeleid van de gemeente is om op een werkbare en doelmatige manier zorg te dragen voor het bodemarchief. Daarom hanteert het gemeentebestuur in de beleidsnota en op bijgaande Archeologische Beleidskaart vrijstellingsgrenzen, die aangeven wanneer ruimtelijke plannen zijn vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Het uitgangspunt bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen is om een maatschappelijk aanvaardbare balans aan te brengen tussen de ruimtelijke ordening en het zorgvuldig beheer van het bodemarchief. Archeologie heeft een duidelijke publieksfunctie. Veel mensen hebben belangstelling voor het leven dat zich vroeger afspeelde in hun eigen dorp, stad, wijk of straat. Vooral het archeologisch onderzoek, zoals een opgraving, trekt vaak veel belangstelling. De gemeente kent daarom in haar archeologiebeleid een belangrijke rol toe aan publieksparticipatie en voorlichting. Vanwege de wetgeving zal in de gemeente Edam-Volendam in de (nabije) toekomst steeds meer onderzoek gedaan worden naar het bodemarchief. Afhankelijk van de locatie kunnen de onderzoeksresultaten benut worden als bron van inspiratie voor het ontwerp en de inrichting van de publieke ruimte. Door een verband te leggen tussen verleden en heden kan worden bewerkstelligd dat die ruimte van het begin af aan een eigen identiteit wordt meegegeven. De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen dus op een positieve manier bijdragen aan de verhoging van de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving. De gemeente heeft daarom het voornemen om, indien mogelijk, het archeologisch verleden als inspiratiebron te benutten bij grote ruimtelijke inrichtingsprojecten indien uit het betreffende gebied archeologische gegevens bekend zijn. 1.4 . Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de (juridische) beleidsinstrumenten toegelicht die de gemeente ter beschikking staan op grond waarvan de gemeente een verantwoorde archeologische monumentenzorg (AMZ) kan ontwikkelen. Het bestemmingsplan vormt daarbij het belangrijkste instrument en zal uitvoerig onder de aandacht worden gebracht. In hoofdstuk 3 wordt de archeologische onderzoekscyclus uiteengezet. In deze cyclus zijn een aantal belangrijke beslis- en overlegmomenten te onderscheiden waarbij de gemeente als bevoegde overheid een belangrijke rol speelt. Tevens wordt naar voren gebracht hoe de AMZ in de gemeentelijke praktijk vorm moet krijgen. In hoofdstuk 4 wordt aandacht geschonken aan de manier waarop archeologiebeleid in de gemeentelijke organisatie wordt ingebed. Ook zal het beleid ten aanzien van erfgoededucatie en -participatie voor het voetlicht worden gebracht. Tot slot wordt uiteengezet hoe het archeologisch verleden kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het belangrijke principe dat de verstoorder van het bodemarchief de kosten van archeologisch onderzoek betaalt en hoe de gemeente de kosten van onderzoek verhaalt op derden. Daarnaast komen ook de kosten(posten) van de gemeente zelf op het gebied van het archeologische monumentenzorg aan de orde. In hoofdstuk 6 worden de verschillende archeologiegebieden die op de Archeologische Beleidskaart staan aangegeven inhoudelijk beschreven. Deze beschrijvingen vormen belangrijke bouwstenen voor het gemeentelijk archeologiebeleid. Achterin het rapport is een afbeelding van de Archeologische Beleidskaart opgenomen. Daarbij moet worden vermeld dat deze afdruk als indicatie is opgenomen en niet gebruikt moet worden in de praktijk.

Rechtspraak bij dit artikel