Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg moeten gemeenten verantwoordelijkheid nemen voor het behoud van het eigen archeologisch erfgoed. Bij bodemingrepen van enige omvang zal het behoud van archeologische waarden moeten worden afgewogen tegen andere maatschappelijke belangen. Wanneer andere belangen prevaleren boven het behoud van archeologische waarden in situ (in de bodem) bestaat de verplichting de archeologische waarden te documenteren door middel van opgravend onderzoek zodat de archeologische sporen ex situ (uit de bodem, bijvoorbeeld in het depot) behouden kunnen worden.
Verantwoord beheer van het eigen cultuurhistorisch erfgoed begint met het aan betrokkenen inzichtelijk maken waar en wanneer met het bodemarchief rekening dient te worden gehouden. Dit betekent dat het noodzakelijk is een aantal beleidsregels te formuleren om archeologiegevoelige gebieden in alle ruimtelijke plannen en projecten op te nemen en waar mogelijk te ontzien. Primair is het noodzakelijk om zowel bekende als nog niet of weinig bekende archeologische vindplaatsen een plaats te geven in het proces van ruimtelijke ordening. Indien archeologie (en andere cultuurhistorische waarden) vroegtijdig in het planproces wordt meegenomen en integraal deel uitmaakt van de planontwikkeling, worden vertragingen en onnodige kosten voorkomen.
De uitgangspunten voor gemeentelijke beslissingen zijn daarom in deze nota, de bijbehorende Archeologische Beleidskaart en in de nog vast te stellen erfgoedverordening opgenomen. Zo heeft de gemeente een eigen transparant archeologiebeleid, wat reeds zijn doorwerking vindt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarmee voldoet de gemeente aan de voorwaarden die de Wet op de archeologische monumentenzorg stelt en zal voor alle betrokkenen inzichtelijk zijn wanneer en waar rekening dient te worden gehouden met het bodemarchief.
** 2.1 .** Archeologische beleidskaart
In praktisch opzicht vraagt de herziene Monumentenwet 1988 van gemeenten in de voorbereidingsfase van een nieuw bestemmingsplan inventariserend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren en aan te geven welke conclusies de gemeente daaraan verbindt (artikel 38a, eerste lid). Een dergelijk onderzoek is in het kader van deze nota uitgevoerd en op basis daarvan is voor de gemeente een Archeologische Beleidskaart vervaardigd. De kaart vormt de archeologische onderlegger bij het opstellen van bestemmingsplannen.
Bij de totstandbrenging van de Archeologische Beleidskaart is rekening gehouden met het feit dat niet voor iedere ruimtelijke ontwikkeling een archeologisch onderzoek verplicht kan worden gesteld. Het belasten van iedere kleine ruimtelijke ontwikkeling met archeologisch onderzoek zal vooral als last worden ervaren, wat ten koste zal gaan van het maatschappelijk draagvlak. De gemeente heeft daarom voor alle archeologiegebieden een ondergrens voor archeologisch onderzoek op de Archeologische Beleidskaart aangegeven. Indien de ondergrens bij de voorgenomen planuitvoering wordt overschreden, wordt door de gemeente voorgeschreven rekening te houden met archeologie. Bij de vaststelling van vrijstellingsgrenzen is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de belangen van de archeologische monumentenzorg en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid van archeologisch onderzoek.
Aangezien de Archeologische Beleidskaart hèt basisinstrument vormt voor het gemeentelijk archeologiebeleid, zal de gemeente deze kaart en de toelichting daarop actualiseren indien daartoe op grond van archeologisch onderzoek aanleiding bestaat. Dit is ook van belang in verband met de verplichte openbaarheid van de beperkingen die het archeologiebeleid voor derden meebrengt. Indien gewenst kan bij het herzien van een bestemmingsplan opnieuw naar de archeologie gekeken worden, maar dat is alleen nodig als er archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden of als er toevalsvondsten zijn aangetroffen in het bestemmingsplan-gebied.
** 2.2 .** Het bestemmingsplan
De Monumentenwet vraagt van gemeenten dat bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. De Monumentenwet beoogt daarmee alle (op)nieuw vast te stellen bestemmingsplannen zodanig te laten opstellen dat daarin en bij de voorbereidingsfase daarvan, naast andere belangen, ook het archeologisch belang een volwaardige plaats krijgt.
Aanvullend op de voorbereidende fase kan op basis van de Monumentenwet 1988 in het bestemmingsplan door de gemeente in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden. De voorschriften kunnen ertoe strekken dat de aanvrager van dergelijke vergunningen of een vrijstellingsbesluit kan worden verplicht een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het doel van zo’n over te leggen rapport bestaat er uit dat de archeologische waarden die bij de bodemingrepen van de concrete locatie in het geding kunnen zijn, bekend worden bij de gemeente. Met andere woorden, de aanvrager zal archeologisch vooronderzoek moeten laten uitvoeren (zie hoofdstuk 3).
** 2.2.1 .** Actualisering van het bestemmingsplan
De gemeente heeft in het kader van deze nota een globale inventarisatie van archeologische waarden laten uitvoeren en zal de resultaten daarvan doorvertalen in toekomstige bestemmingsplannen of heeft dit al gedaan. In de toelichting van het betreffende bestemmingsplan zal worden ingegaan op het gemeentelijk archeologiebeleid en op de ten behoeve van het plan uitgevoerde inventarisatie van archeologische waarden binnen het bestemmingsplangebied. Daarnaast wordt hier de onderbouwing gegeven voor de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ en wordt gewezen op de eventuele consequenties van het verlenen van een vergunning of vrijstelling. De verschillende categorieën archeologiegebieden op de Archeologische Beleidskaart kunnen direct als dubbelbestemmingen doorvertaald worden naar de plankaarten van nieuwe bestemmingsplannen. Op de verbeelding en in de planregels wordt de categorie en het regime van het archeologisch waardevolle gebied vermeld.
Bij het opstellen of wijzigen van consoliderende bestemmingsplannen zal een directe doorvertaling van de Archeologische Beleidskaart doorgaans voldoende zijn. Bij dergelijke plannen wordt het bodemarchief in beginsel niet verstoord omdat de bestaande toestand immers wordt vastgelegd. Bij een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan daarentegen worden ruimtelijke ontwikkelingen, zoals een nieuwbouwplan of herstructurering, mogelijk gemaakt. Aandacht voor archeologische waarden dan wel verwachtingen door middel van aanvullend archeologisch vooronderzoek, is hier in een zo vroeg mogelijk stadium van belang. Daarbij worden gedetailleerde onderzoeksgegevens over de ontwikkelingslocatie(s) verzameld die kunnen leiden tot aanpassing van de begrenzing en vrijstellingsgrens van het betreffende archeologiegebied op de Archeologische Beleidskaart. Eventuele aanpassingen aan de Beleidskaart op grond van aanvullend onderzoek worden in de planregels en de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan meegenomen.
** 2.2.2 .** Omgevingsvergunning voor aanleg / bodemingrepen
Ter bescherming van de (verwachte) archeologische waarden in het gebied met de dubbelbestemming ´Waarde-Archeologie´ kan bij deze bestemming een vergunningsvereiste worden opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de (verwachte) archeologische waarden. Voorbeelden daarvan zijn: egaliseren; ophogen of afgraven van grond; rooien/weghalen van bomen of vellen van houtopslag; aanleg van wegen; ingraven van leidingen; bebossen van gronden; graven, verbreden of dempen van greppels of sloten; wijzigen van het grondwaterpeil; aanbrengen van natuurvriendelijke oevers; uitgraven van poelen en vijvers; bouwrijp maken van een gebied; scheuren van grasland; diepploegen (dieper dan 40 cm); diepwoelen; aanleggen en intensiveren van drainage; baggeren.
** 2.2.3 .** Bouwvoorschriften
Aangezien de dubbelbestemming ’Waarde-Archeologie’ geen compleet verbod op bouwen moet inhouden, kunnen aan deze bestemming bouwvoorschriften worden verbonden, mits de onderliggende bestemming bebouwing mogelijk maakt. Ook bij andere planfiguren, zoals projectafwijkingsbesluiten, crisis- en herstelwet, kruimelontheffingen etc. bestaat de mogelijkheid voorwaarden te stellen. Indien noodzakelijk moet een rapport inzake de archeologische waarde van het te bebouwen terrein worden toegevoegd aan de indieningsvereisten bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.
** 2.2.4 .** Bouwverbod
Indien op de plankaart de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ is aangeduid en in de bodem zijn daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig dan kan een bouwverbod worden ingesteld. Dit geldt tenminste voor terreinen die als beschermd archeologisch monument zijn aangewezen, maar kan ook voor andere terreinen worden gebruikt waarvoor de gemeente dit van belang acht.
** 2.2.5 .** Omgevingsvergunning
In het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan voor alle bouw- en/of grondwerkactiviteiten worden volstaan met het aanvragen van één omgevingsvergunning die ziet op de eventueel aan de orde zijnde deelaspecten. De gemeente heeft de aanvraagprocedure voor de omgevingsvergunning zodanig vormgegeven dat voorwaarden kunnen worden gesteld met betrekking tot de bescherming van archeologisch waardevolle terreinen die in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Indien het bestemmingsplan een onderzoeksrapport voorschrijft, dan dient de aanvrager van een vergunning bij de aanvraag een dergelijk rapport mee te leveren. Indien het rapport niet voldoet aan de inhoudelijke voorschriften die hiervoor gelden, dan kan de gemeente, conform de standaardprocedure bij de ontvankelijkheidstoets, om aanvullende gegevens vragen. De aanvrager heeft vervolgens een afgebakende tijd om de aanvullende gegevens aan te leveren. Doet de aanvrager dit niet of is de aanvulling onvoldoende, dan kan de gemeente besluiten de aanvraag verder buiten behandeling te laten.
** 2.2.6 .** Wijzigingsbeleid
De gemeente kan met behulp van de wijzigingsbevoegdheid (art. 3.6 lid 1 sub a Wro) de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ op de plankaart van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de begrenzingen ervan worden veranderd, de omvang wordt vergroot of verkleind dan wel van de plankaart wordt verwijderd. Ook kan met deze bevoegdheid de vrijstellingsgrens naar boven of beneden worden bijgesteld. De mogelijkheden van de wijzigingsbevoegdheid zullen door de gemeente alleen worden gebruikt indien daartoe op basis van (archeologisch) onderzoek aanleiding bestaat.
** 2.2.7 .** Polderpeil en waterbodems
Ook bij het wijzigen van waterpeilen kunnen archeologische belangen in het geding zijn. Bij verlaging van het peil of bij sterke schommelingen kan verdroging van de archeologische lagen optreden, waarbij houten voorwerpen, zaden en pollen verloren kunnen gaan. Uit een meerjaren-monitoringsonderzoek van een aantal veenterpen in omliggende gemeenten blijkt dat de invoering van blokbemaling waarbij plotseling een decimeters lager slootwaterpeil aan de orde is, leidt tot een aanzienlijke en diepgaande aantasting van veenterpen 2. (2 Exaltus e.a. 2003) Indien peilwijzigingen worden voorgesteld, zal voortaan rekening worden gehouden met de aanwezige of verwachte archeologische waarden.
**2.3 .** Verordening ter bescherming van het bodemarchief
Op grond van de Monumentenwet zijn gemeenten bevoegd om een erfgoedverordening met archeologie ter bescherming van het bodemarchief vast te stellen. De erfgoedverordening kan het archeologiebeleid vaststellen voor gebieden waar archeologie nog niet in het bestemmingsplan is verankerd. Indien een verordening betrekking heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg is vastgesteld, blijft die verordening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is. De gemeente Edam-Volendam heeft in 2012 een erfgoedverordening opgesteld waarin ook archeologie zal worden opgenomen.
** 2.4 .** Archeologische monumenten
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is bevoegd een terrein of landschapselement van archeologische waarde als beschermd monument aan te wijzen. De gemeente Edam-Volendam heeft vooralsnog geen archeologische monumenten die van rijkswege zijn beschermd. De aanwijzing als beschermd archeologisch monument heeft op zichzelf geen gevolgen voor de regeling in het betreffende bestemmingsplan omdat het beschermingsregime van de Monumentenwet 1988 er geheel los van staat. De gemeente hoeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan daarom geen regeling op te nemen die voorziet in de bescherming van deze monumenten. Wel is het raadzaam de monumenten in de toelichting te beschrijven en de monumentenlijst als bijlage bij het bestemmingsplan op te nemen. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen of te vernielen. De aanwijzing van een monument als beschermd rijksmonument betekent niet dat de eigenaar er niets aan mag veranderen, maar voor het wijzigen, afbreken of verwijderen van het monument is een monumentenvergunning nodig. Bij archeologische monumenten beslist niet de gemeente, maar de RCE omtrent de aanvraag van de vergunning.
Naast de Monumentenwet 1988 bestaat het beschermingsregime van gemeenten en provincies. Gemeenten en provincies kunnen op grond van hun eigen verordening zelfstandig bescherming bieden aan archeologische monumenten. De gemeente Edam-Volendam kent vooralsnog geen provinciale en gemeentelijke archeologische monumenten. Voor de terreinen die in de toekomst mogelijk op basis van de gemeentelijke of provinciale erfgoedverordening worden aangewezen als beschermd archeologisch monument, geldt ook dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan geen regeling behoeft te worden opgenomen die voorziet in de bescherming van deze monumenten. Deze bescherming is immers al geregeld via de erfgoedverordening. Met het oog op volledigheid van informatie zal de gemeente de wettelijk en bij verordening beschermde terreinen wel als zodanig op de plankaart van het bestemmingsplan aanduiden. De aanduiding van deze terreinen komt de kenbaarheid van het monument ten goede. De besluiten met betrekking tot archeologische vindplaatsen zullen door de gemeente op een zorgvuldige, transparante, rechtvaardige en rechtmatige wijze tot stand worden gebracht. Dergelijke besluiten staan bovendien open voor beroep en bezwaar.
Het is van belang dat ook in de welstands- en monumentencommissie rekening gehouden wordt met de archeologische waarden in het gemeentelijk grondgebied. Zo is het belangrijk dat bij (restauratie)werkzaamheden bij bouwkundige monumenten rekening wordt gehouden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Daartoe kan in eerste instantie kennis uit de voorliggende nota worden gebruikt. Ten behoeve van de ambtelijke ondersteuning zal één persoon binnen de gemeente, te weten de beleidsmedewerker monumenten, aanspreekpunt zijn voor de archeologische monumentenzorg. In het kader van vergunningverleningen waarbij archeologische belangen in het geding zijn, wint het bestuur indien noodzakelijk deskundig advies in van een seniorarcheoloog conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (zie www.sikb.nl).
Artikel 2.