Het handhaven en versterken van de cultuurhistorische identiteit van de gemeente Edam-Volendam dient ook voor wat betreft de archeologie een regulier en volwaardig bestanddeel van de ruimtelijke inrichting te worden. Daarbij is het van wezenlijk belang om een beeld te hebben van de archeologische waarden die in de bodem van Edam-Volendam aanwezig of te verwachten zijn. Door technologische en demografische ontwikkelingen is het landschap in de gemeente Edam-Volendam de afgelopen honderd jaar sterk veranderd, maar toch zijn er nog belangrijke archeologische vindplaatsen bewaard gebleven. Uitgangspunt van een beschrijving van het gemeentelijk bodemarchief is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Deze kaart geeft echter alleen de bekende en gewaardeerde archeologische vindplaatsen aan. Omdat de meeste archeologische vindplaatsen nog niet ontdekt of nog niet zijn gewaardeerd is in het kader van het samenstellen van deze archeologienota daarom het bodemarchief aanvullend geïnventariseerd door middel van bureauonderzoek. Daarbij is vanwege de cultuurhistorische kenmerkendheid de nadruk gelegd op de archeologische speerpunten:
Resten uit de middeleeuwse ontginningsperiode: oude woonplaatsen en veenterpen, oude kerkplaatsen en verkavelingspatronen;
De voor het veengebied karakteristieke historische kernen en hun ontwikkelingsgeschiedenis;
Waterstaatkundige werken vanaf de Middeleeuwen: dijken en molenplaatsen.
Deze aanvullende inventarisatie is niet uitputtend, maar heeft toch een aantal nieuwe potentiële archeologische terreinen opgeleverd. Als resultaat hiervan zijn op de digitale kaart die bij deze nota hoort de potentiële archeologische terreinen aangeduid. Als ondergrond van deze kaart is de GBKN (Grootschalige Basiskaart Nederland) gebruikt. Hierbij hoort een lijst met korte beschrijving van elk terrein (zie bijlage). In deze toelichting op de Archeologische Beleidskaart zijn deze gebieden met het aanbevolen ruimtelijk beleid beschreven.
**6.1. .** Ontwikkelingsgeschiedenis van Edam-Volendam
De bodem van Edam-Volendam bestaat grotendeels uit veen. Het begin van de veengroei ligt tussen 3000 en 2100 voor Christus. Voor die tijd bestond het gebied uit zandplaten die regelmatig door de zee werden overspoeld. Het gemeentelijk grondgebied van de gemeente Edam-Volendam werd van noordwest naar zuidoost doorsneden door de Ee of de IJe. Dit riviertje vormde de afwatering van het veen op het Almere (de voorloper van de Zuiderzee) De veengroei werd pas gestopt door de ontginning in de Middeleeuwen. Het gebied werd vermoedelijk vanaf de tweede helft van de 10e eeuw ontgonnen. De ontginning van het veen werd vanuit de riviertjes begonnen. Er werden sloten parallel aan elkaar gegraven, waardoor een strokenverkaveling ontstond. De sloten liepen haaks op de hoogtelijnen van het veenkussen en takten schuin aan op de riviertjes waarmee de ontwatering goed verliep. Het veen was alleen in groepsverband te ontginnen, zodat men gezamenlijk sloten kon graven om het water af te voeren en kades kon aanleggen om water uit het omliggende gebied buiten de ontginning te houden. Het huidige grondgebied van de gemeente Edam-Volendam is deels ontgonnen vanuit de IJe en deels vanuit de Purmer Ee, een voormalige veenrivier ter plaatse van de Purmer.
Bewoning en bedijking
In de ontginningsperiode vond de bewoning van het gebied plaats in boerderijtjes op de kavelstroken. De boerderijen werden op gelijke hoogte op de kavelstroken gebouwd, waardoor de karakteristieke lintbebouwing ontstond. Er was echter geen standaard lintvorm: soms lag het lint direct langs de ontginningsbasis, in andere gevallen meer in het land op enige afstand ervan; sommigen linten waren zeer dicht bebouwd, andere juist meer gespreid en ook de omvang van de nederzetting kon variëren. De boerderijen werden vanwege de slappe veengrond gebouwd van lichte materialen. Muren werden opgetrokken uit vlechtwerkwanden, aangevuld met zoden of leem. Dakdragende staanders werden niet ingegraven maar gefundeerd op een poer of stiep. In eerste instantie vestigden de ontginners zich op de flank van de veenkussens. Men stichtte een gemengd landbouwbedrijf met akkerbouw en veeteelt, die elkaar aanvulden. De ontginners hadden recht van opstrek, wat inhield dat zij in het verlengde van het perceel dat zij gebruikten meer veen konden ontginnen. Dit werd doorgezet totdat men op een natuurlijke barrière stuitte of op een ontginning van een andere groep.
Door de ontwatering van het veen trad inklinking en oxidatie op, waardoor het maaiveld daalde en het perceel weer vernatte. Men groef als reactie hierop de sloten dieper uit om een betere ontwatering mogelijk te maken. Op een gegeven moment was het dieper uitgraven van de sloten niet meer afdoende, omdat het maaiveld zover gedaald was dat natuurlijke uitwatering op het riviertje niet meer mogelijk was. De vernatting van het maaiveld maakte daarmee akkerbouw onmogelijk, waarna men overschakelde op extensieve veeteelt. De vernatting had ook tot gevolg dat het noodzakelijk werd de boerderijen op terpjes te bouwen. Woonterpen werden opgeworpen die bestonden uit klei, plaggen en mest. Als gevolg van de maaivelddaling is sterke erosie opgetreden. Aan de oostzijde van het gemeentelijk grondgebied werden grote delen van het ingeklonken land door het water weggeslagen toen het Almere zich uitbreidde tot de Zuiderzee.
Sommige riviertjes in het binnenland breidden zich uit tot meren, zoals de Purmer. Het hoogtepunt van deze ontwikkeling ligt in de tweede helft van de 12e eeuw. Om zich te beschermen tegen het water werden dijken aangelegd. In eerste instantie werden twee dijkringen aangelegd: de zogenaamde primaire bedijkingen. Edam, dat toen nog slechts een kleine terpnederzetting aan de westoever van de IJe was, kwam te liggen binnen de dijkring van de Zeevang. De IJe of de Ee die de dijkring doorkruiste werd afgedamd door de Ee-dam. De Waterlandse dijkring lag ten zuiden van de Purmer Ee zodat het veenweidegebied ten zuiden van Edam was buitengedijkt.8 (8 Soonius)
In tweede instantie zijn de buitengedijkte gebieden alsnog bedijkt en werden de zeegaten en waterlopen tussen de beide dijkringen afgedamd. Deze dammen voegden de bestaande dijkringen van Zeevang en samen, waardoor het stelsel van de Noorder IJ- en Zeedijken ontstond. Dit gebeurde in de 14e eeuw. Zodoende werden ook de gronden ten zuiden van Edam binnen de dijkring van de Zeevang getrokken. Het sluiten van de dijkring betekende echter niet dat wateroverlast volledig tot het verleden behoorde. In de loop der eeuwen is diverse malen sprake geweest van dijkdoorbraken, zoals bij de Allerheiligenvloed van 1570, toen het Volendammermeer ontstond.
Economische veranderingen
In de tweede helft van de 13e eeuw vond een verschuiving plaats van agrarische naar niet-agrarische activiteiten: handel, scheepvaart en nijverheid. De economische heroriëntatie hing deels samen met de vernatting van de ontgonnen gronden door maaivelddaling waardoor graanbouw niet meer mogelijk was.9 (9 Soonius) De vraag naar agrarische producten van buiten de streek nam toe, alsmede de vraag naar werk. Omdat door landverlies als gevolg van erosie de transportmogelijkheden over water waren verbeterd, versnelde dit de heroriëntatie op handel en scheepvaart. De terpnederzetting bij de Ee-dam ontwikkelde zich tot haven- en overslagplaats. De nederzetting groeide snel door migratie vanaf het platteland: daar was een arbeidsoverschot ontstaan doordat de extensieve veeteelt die de plaats innam van de graanbouw minder mankracht vergde. Een groot aantal van de oorspronkelijke veenontginningsdorpen werden grotendeels verlaten, hoewel er meestal nog enkele boerderijen overbleven.
De economische heroriëntatie werd bevorderd door de inlijving van de regio Waterland bij het graafschap Holland in 1282. Edam, maar bijvoorbeeld ook Monnickendam en Purmerend groeiden al snel uit tot handelssteden. Edam verkreeg in 1357 het stadsrecht. Hoewel de nieuwe stad toen nog zeer beperkt van omvang was, was er sprake van snelle groei. Edam groeide uit tot het centrum van de Zeevang voor de uitvoer van zuivelproducten (onder andere kaas) uit het achterland. Ook ontwikkelde Edam een belangrijke rol in de scheepvaart: niet zozeer voor de doorgaande scheepvaart van de Zuiderzee naar andere steden in Noord-Holland maar vooral in de scheepsbouw en de haringvisserij. Gedurende de 16e en 17e eeuw beleefde Edam zijn grootste bloei.
Het droogleggen van de Purmer in 1622 heeft grote gevolgen voor Edam: er verdwijnt een groot visserijgebied. Daarvoor in de plaats komt echter in de loop der tijd een vervanging: in de Purmer worden runderen gehouden en Edam wordt een centrum van veehandel. De 18e eeuw is economisch minder voorspoedig voor Edam: door runderpest hebben vee- en kaashandel zeer te lijden.
In de 18e eeuw is het voornamelijk Volendam dat zich ontwikkelt. Tot het midden van de 14e eeuw bevond zich hier de monding van de IJe die fungeerde als de haven van Edam. Na het verkrijgen van het stadsrecht werd echter de Voorhaven aangelegd en de monding van de IJe werd afgedamd (zie Gebiedsbeschrijvingen). Lange tijd was Volendam niet meer dan een gehucht bestaand uit enkele huizen aan de dijk. In het midden van de 18e eeuw neemt de Volendamse visserij een grote vlucht door de verzilting van de Zuiderzee. De 19e en 20e eeuwse ontwikkelingen in de gemeente Edam-Volendam die vanuit het perspectief van het bodemarchief van belang zijn, hebben betrekking op diverse bouw- en sloopactiviteiten. De Edamse vestingwerken worden afgebroken, het fort bij Edam wordt gebouwd en de Noorderhaven van Volendam wordt gedempt. De aanleg van 20e-eeuwse nieuwbouwwijken betekent dat voor het eerst de bebouwing zich uitstrekt buiten de historische begrenzingen van de kernen Edam en Volendam. Ook de ontwikkeling van de infrastructuur in de moderne tijd betekende een grote verandering: eeuwenlang was het gebied voornamelijk bereikbaar over water. Wegen over land waren vooral boerenpaadjes en twee zogenaamde delenpaden. Tussen Edam en Volendam en tussen Edam en Katham (mogelijk vanaf het midden van de 17e eeuw) loopt een pad waarbij gebruik werd gemaakt van planken om de sloten in het gebied te overbruggen. In de 20e eeuw nam het belang van doorgaande wegen over land sterk toe en verdween grotendeel de karakteristieke vaarpolder.
Afb. 1 Levende geschiedenis op het Fort bij Edam. Foto: Frank van Drie
Algemeen overzicht van het bodemarchief
Het gemeentelijk bodemarchief valt per definitie niet volledig te kennen, aangezien de vindplaatsen verborgen liggen in de bodem. Binnen de gemeente Edam-Volendam is nog relatief weinig archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor de terreinen waar nog geen archeologische waarden zijn vastgesteld wordt naar vergelijkbare gebieden in de gemeenten Waterland en Zeevang gekeken waar wel archeologische kennis is opgedaan. De bewoningsgeschiedenis van de regio Waterland, waarvan de gemeente Edam-Volendam deel uitmaakt, begint relatief laat. Pas vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf ca. 1000 na Chr.) wordt het veengebied geschikt gemaakt voor bewoning en landbouw. Na verloop van tijd verschuiven de economische activiteiten van landbouw naar handel- en zeevaartactiviteiten. Ook het nederzettingspatroon vertoont veranderingen: van bewoning op kleine terpjes naar lintbewoning en kleine dorpskernen. Vanuit het archeologisch beleid gezien vormen de historische dorpskernen een zelfstandige eenheid. Daarnaast kan het gemeentelijk grondgebied worden verdeeld in de overige gebieden binnen de bebouwde kommen van de dorpen en het buitengebied. De ligging van deze deelgebieden wordt op bijgaand kaartmateriaal aangegeven.
** 6.2 .** Gebiedsbeschrijvingen
**6.2.1 .** Het buitengebied
Het buitengebied van de gemeente Edam-Volendam is gedurende de tweede helft van de 20e eeuw grotendeels bebouwd geraakt. Van het oorspronkelijke veenweidegebied resteren nog de Lange Weeren, een deel van Den Broek en het gebied ten noorden van Edam (ontginningen van Warder en Middelie). Het veengebied werd vanaf de tweede helft van de 10e eeuw ontgonnen. Het ontginningsproces was afgestemd op de natuurlijke gesteldheid van het landschap. De afbakening van territoriale eenheden, zogenaamde landen of gouwen vond plaats op basis van de ligging van waterscheidingen en stroomgebieden. De waterscheidingen tussen de stroomgebieden werden gevormd door veenkussens. De IJe en de Purmer Ee vormden de basis van de ontginningen binnen de huidige gemeente Edam-Volendam. Er is weinig bekend over de chronologische opeenvolging van de ontginningen. Verspreid over het gehele buitengebied hebben, in elk geval in de 19e eeuw, weidemolens voor lokale bemaling gestaan. Deze zijn alle verdwenen. Op de plaatsen waar ze gestaan hebben kunnen resten van de fundering in de ondergrond verwacht worden.
Oosterweeren en Westerweeren
Ten noorden van de bebouwing van Edam bevindt zich een veenweidegebied dat deel uitmaakte van de ontginningen van Middelie (Westerweeren) en Warder (Oosterweeren). In beide delen heeft de ontginning plaatsgevonden vanuit de IJe waardoor een veerverkaveling is ontstaan. Van beide ontginningsblokken is alleen het noordelijk deel onderzocht, waarbij diverse veenterpen en andere sporen van bewoning zijn aangetroffen. Tevens zijn er zogenaamde daliegaten en -bulten aangetroffen. Er wordt vanuit gegaan dat deze bulten en gaten zijn ontstaan doordat men klei onder het veen vandaan won om het te gebruiken als meststof. Daartoe heeft men een gat gegraven en de veenlaag verwijderd, waarna men de klei uit de put won. Vervolgens werd het gat gedicht met het weggegraven veen, veenbagger en mogelijk ook met afval. Soms werd het veen aangestampt. Door het dalen van het maaiveld ontstonden op de plaats waar de klei gewonnen was een daliegat of een daliebult. Een daliegat is een laagte in het landschap, zo’n 20-30 cm diep en komt vooral in West-Friesland voor. De daliebult manifesteert zich als een verhoging van 5-25 cm boven het maaiveld. Beide hebben een doorsnede van circa 3 tot 5 meter De daliebulten zijn zowel in een ronde als in een ovale en vierkante vorm teruggevonden in het landschap. Het ontstaan van de gaten en bulten is het gevolg van differentiële klink, waarbij de omgeving meer of juist minder inklinkt dan de plaats waar de klei gewonnen is. Hoewel in het deel van deze ontginningsblokken dat binnen de gemeente Edam-Volendam ligt nog geen archeologische vondsten bekend zijn, kunnen ook hier veenterpen en/of daliegaten worden verwacht.
De Lange Weeren
Het gebied tussen de Purmerringvaart en de nieuwbouwwijken van Edam en Volendam maakt deel uit van de ontginning De Lange Weeren. Dit gebied is verkaveld in noord-zuid gerichte stroken. Mogelijk betreft het een secundaire verkaveling: de oorspronkelijke ontginning heeft enige tijd buitendijks gelegen en door overstromingen kan het oorspronkelijke verkavelingspatroon zijn verdwenen. In elk geval voor 1320 was het gebied bedijkt, als onderdeel van de dijkring van Zeevang. Het gebied is oorspronkelijk ontgonnen vanuit de Purmer Ee. In Katwoude, het zuidelijk deel van de ontginning in de gemeente Waterland, zijn talrijke sporen van bewoning aangetroffen. Vermoedelijk heeft zich ook in het Edams-Volendamse deel van de ontginning een nederzetting bevonden, ter hoogte van Katham. Deze is echter nog niet archeologisch aangetoond. Tot op heden zijn in dit gebied slechts enkele vondsten van aardewerk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Naar verwachting kunnen sporen van bewoning zoals veenterpen door nader archeologisch onderzoek worden aangetoond. Direct ten zuiden van Edam, grenzend aan de Lange Weeren is een klein deel van het ontginningsblok Blokweeren (zie afb. 2) onbebouwd gebleven. Deze ontginning heeft plaatsgevonden vanuit de IJe. Ook hier geldt dat systematisch archeologisch onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. De sporen die hier verwacht kunnen worden zijn vergelijkbaar met de te verwachten sporen in de Lange Weeren: bewoningssporen vanaf de periode van veenontginning zoals veenterpen.
Afb. 2 Kaart van de Uitwaterende sluizen van J.J. Dou uit 1680.
Zuidpolder
De Zuidpolder, gelegen langs de Zuidpolderdijk, maakte oorspronkelijk deel uit van het ontginningsblok de Broekpolder of Warderbroeck. Dit gebied werd ontgonnen vanuit de IJe. Op historisch kaartmateriaal vanaf de 17e eeuw, onder andere de Kaart van Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en West-Friesland van J.J. Dou (ca. 1680), wordt dit gebied weergegeven als een weidegebied. Eveneens uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de dijk van de Zuidpolder diverse malen is doorgebroken: op kaarten staan diverse ‘wielen’ (het restant van een dijkdoorbraak) afgebeeld. Historisch kaartmateriaal deed ook vermoeden dat er een molen in de Zuidpolder had gestaan. Bij archeologisch vooronderzoek zijn inderdaad twee vindplaatsen aangetroffen, een daarvan was mogelijk de genoemde molen. Nader archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat op de locatie waar de molen werd vermoed een puinlaag aanwezig was. Dit puin was echter niet aantoonbaar afkomstig van een molen. Wel werden op deze locatie de restanten van de beschoeiing van een 18e of 19e eeuwse dam in een (later gedempte) sloot aangetroffen. Langs de Volgersloot, het restant van een veenstroompje en mogelijk een zijtak van de IJe, kunnen restanten van bewoning uit de ontginningsperiode worden verwacht. In het verleden zijn reeds diverse archeologische vondsten gedaan. Booronderzoek in het kader van de geplande ontwikkeling van de Zuidpolder bracht de locatie van een vermoedelijke woonheuvel aan de volgersloot aan het licht.
Purmer
De ontginning van het deel van de Purmer dat zich bevindt binnen de gemeente Edam-Volendam heeft plaatsgevonden vanuit de Purmer Ee. Grote delen van de ontginningen en nederzettingen hier zijn weggespoeld toen door inklinking van het veen en het uitwaaien van deze veenstroom het Purmermeer ontstond. In 1620 werd een begin gemaakt met de droogmaking van de Purmer: er werd een ringdijk aangelegd en er werden molens gebouwd waarna met het uitmalen van het water werd begonnen. In 1622 viel de Purmer droog.10 (10 Aten) De Purmerpolder werd bemalen door vijf molengangen van elk drie molens. In het Edams-Volendamse deel van de Purmer liggen twee van deze voormalige molengangen. Aan het eind van de 19e eeuw maakte de opkomst van het stoomgemaal de molens van de Purmer overbodig: in 1909 werd de laatste molen afgebroken. Archeologische restanten van de molens zijn nog niet aangetoond maar kunnen mogelijk nog in de bodem aanwezig zijn. De bewoning in de Purmer lag verspreid langs de wegen in de lengterichting van de polder, zoals op de kaart van J.J. Dou duidelijk te zien is (zie afb. xxx). Van deze 17e-eeuwse bewoning zijn nog geen archeologische sporen bekend.
** 6.2.2 .** De historische dorpskernen
De gemeente Edam-Volendam kent drie historische kernen, te weten Edam, Volendam en Katham. Edam is van deze drie eeuwenlang de belangrijkste geweest, Volendam en Katham waren slechts kleine kernen. Tegenwoordig echter is Volendam de meest omvangrijke kern. Het vroegere Katham is opgegaan in de Volendamse uitbreidingswijken.
Edam
Edam ontstond waarschijnlijk in de 12e of 13e eeuw aan de westoever van de IJe. Dit veenstroompje mondde ter hoogte van Volendam uit in de Zuiderzee, waar tot halverwege de 14e eeuw de haven van Volendam lag. In de begintijd was Edam een terpnederzetting waar handel werd gedreven. Het dorp bestond uit een klein aantal houten huizen en een kapel. Wanneer en waar precies de dam in de IJe (ofwel de Ee) werd gebouwd waaraan Edam haar naam dankt is nog onduidelijk. In 1310 wordt Edam voor het eerst vermeld in schriftelijke bronnen, namelijk in een oorkonde van Graaf Willem II van Holland. In 1357 ontvangt Edam het stadsrecht van Graaf Willem V. Daarin werd onder andere bepaald dat de inwoners van Edam een kortere verbinding tussen de Purmer en de Zuiderzee tot stand mochten brengen. Daartoe werd de Voorhaven, het Oorgat en de Buitenhaven gegraven. Later werden ten noorden en zuiden daarvan ook de Achter Haven en de Nieuwe Haven aangelegd. De oude haven bij Volendam was hiermee overbodig geworden en de monding van het IJe werd afgedamd. Op diverse historische stadsplattegronden is de ontwikkeling van de stad in beeld gebracht. De vroegste plattegrond is die van Jacob van Deventer (ca. 1560) die de situatie weergeeft van de tweede helft van de 14e eeuw. Op deze kaart zijn niet alleen de havens weergegeven maar is ook te zien dat er reeds vele bedrijven gevestigd zijn. Op de kaart van Van Deventer zijn tevens een aantal kerken en kloosters aangeduid, evenals stadspoorten en vestingwerken.
De vestingwerken van Edam werden aangelegd in een aantal fasen.11 (11 Bunskoeke) De eerste verdedigingswerken werden vermoedelijk na het verkrijgen van het stadsrecht aangelegd. Hoewel er geen zekerheid over bestaat werd vermoedelijk de grond die vrijkwam bij het uitgraven van de havens gebruikt om de stad van aarden wallen te voorzien. Een volgende fase, in de derde kwart van de 15e eeuw, betrof de aanleg van een aantal houten toevoegingen aan de bestaande wal. Ten tijde van de Hoekse en Kabeljauwse twisten paalde Edam de haven af en werden er twee houten poorten gebouwd. Vervolgens werden er in de periode tussen 1518 en 1543 stenen verdedigingswerken gebouwd: land- en waterpoorten en een muur. Deze muur was niet zo hoog en niet zo dik, zodat al na korte tijd (in de derde kwart van de 16e eeuw, gedurende de Tachtigjarige Oorlog) de vestingwerken werden vernieuwd. In de eerste helft van de 19e eeuw, maar waarschijnlijk al eerder, zijn de stadpoorten en een groot deel van de wallen geslecht. Sinds de aanleg van de verdedigingswerken om de stad is het stadsplan nauwelijks gewijzigd, de uitbreiding van de stad buiten de vesting vond pas in de 20e eeuw plaats. De eeuwen van continue bewoning in de historische kern van Edam hebben een dik pakket van archeologische lagen in de bodem achtergelaten.
Op diverse plaatsen in Edam hebben archeologische opgravingen sporen van bewoning en nijverheid aan het licht gebracht. In de Breestraat werden een ophogingspakket van meer dan 4 meter dik de funderingsresten van schuurtjes of stallen aangetroffen, daterend uit de late 15e eeuw. Uit diezelfde periode werd een afvallaag met leersnippers en aardewerk gevonden. Ook werden de restanten van een woning, gebouwd in het begin van de 16e eeuw aangetroffen, evenals verschillende soorten aardewerk, slachtafval, leer en textiel. Aan het Oorgat heeft onderzoek aangetoond dat het dijklichaam van de dijk langs het Oorgat in de loop der tijd diverse malen is verbreed en verhoogd. Aan de Matthijs Tinxgracht zijn funderingsrestanten, muurresten maar ook riool- of waterafvoeren aangetroffen van een kloostercomplex uit de periode 15e – 17e eeuw. Vrijwel overal binnen de historische begrenzing van de stad kan een dik pakket archeologische lagen worden verwacht. Deze sporen kunnen betrekking hebben op bewoning (huisrestanten, gebruiksvoorwerpen) maar ook op handel en nijverheid (werkplaatsen, gereedschappen, scheepswerven). Tevens kunnen de restanten van publieke gebouwen (kerken, kloosters, vestingwerken) in de bodem aanwezig zijn. Op plaatsen waar in de 20e eeuw ingrijpende bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden kunnen de archeologische lagen verstoord of vernietigd zijn.
Volendam
Volendam is ontstaan aan de monding van de Ee in het Almere (de latere Zuiderzee). Hier bevond zich tot 1357 de haven van Edam. Toen Edam in dat jaar stadsrechten verkreeg werd een nieuwe verbinding, inclusief havens, tussen Purmer en Zuiderzee aangelegd. De oude haven in de monding van de Ee werd afgedamd, waarmee het gehele gebied van de Voor-IJe van de Zuiderzee werd afgesloten. Bij de dam ontstond een kleine nederzetting van boeren en vissers. Vanaf 1462 komt Volendam voor in de schriftelijke bronnen: het belastingboek van Edam vermeldt dat er in dat jaar 5 belastingplichtigen in Volendam woonden. In 1570 ontstond bij een dijkdoorbraak de Volendammermeer, dit water ging dienstdoen als binnenhaven en visplaats. Toen de Volendammermeer in 1631 werd drooggemaakt en viswater en binnenhaven verdwenen, werd gezocht naar een nieuwe afmeerplaats voor de schepen. De eerste buitenhaven, uit 1661, werd echter al in 1675 verwoest door storm. Reparatiewerkzaamheden en vergroting van de haven vonden plaats in 1710, maar al spoedig was het paalworm die opnieuw de haven aantastte. Uiteindelijk kwam er in 1786 een haven bestaande uit een verstevigde aarden wal. In de 18e eeuw kan Volendam zich dankzij de verzilting van de Zuiderzee ontwikkelen tot vissersplaats van betekenis. Vanaf het midden van de 19e eeuw nam de bevolkingsgroei toe; in 1859 werd een deel van de bevolking van het ontruimde Schokland in Volendam gevestigd. Archeologisch booronderzoek in de Havenstraat heeft de aanwezigheid van archeologische waarden aangetoond. Er zijn twee ophogingspakketten aangetroffen die aan de hand van vondstmateriaal gedateerd konden worden in de periode van de Late Middeleeuwen tot 1800. Bij het genoemde booronderzoek zijn tevens de restanten van muurwerk aangetroffen, daarvan kon geen datering worden vastgesteld. Ook aan het Oude Draaipad zijn ophogingslagen aangetroffen, in dit geval is tevens een percelleringsstructuur uit de 17e eeuw aan het licht gekomen. In de gehele historische kern van Volendam kunnen dergelijke archeologische resten worden verwacht.
Katham
Op diverse historische kaarten uit de 18e eeuw is te zien dat ten westen van Volendam aan de Zuiderzeedijk een kleine kern is ontstaan: Katkam. Het dorpje bestaat uit niet meer dan enkele huizen. Gedurende de 19e en 20e eeuw groeit de kern nauwelijks. Tegenwoordig ligt Katham vrijwel ingesloten door de uitbreidingswijken van Volendam. In Katham heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Booronderzoek nabij het dorp heeft geen vondsten opgeleverd behalve de sporen van een gedempte sloot uit de 19e eeuw.
** 6.2.3 .** De bebouwing buiten de historische kernen
Van de kernen van Edam-Volendam is vooral Volendam in de 20e eeuw belangrijk gegroeid. Het oorspronkelijke veenweidegebied tussen Edam en Volendam is grotendeels bebouwd geraakt. In de voormalige veenontginningsblokken Warderbroek of Broekpolder, Stille Weeren en Blokweeren zal het bodemarchief een opbouw hebben gehad die vergelijkbaar is met die van de nog niet bebouwde delen van het veenweidegebied, zoals de Lange Weeren. Omdat de restanten van veenontginning en –bewoning dikwijls direct onder het maaiveld liggen is de kans groot dat het bodemarchief bij de bouw van de uitbreidingswijken verstoord is geraakt of geheel is verdwenen. Het is mogelijk dat op plaatsen waar geen bebouwing is aangelegd (plantsoenen, pleinen ed.) nog archeologische sporen aanwezig zijn. Met de uitbreiding van Volendam is ook de Volendammermeer volgebouwd. Deze werd in 1631 drooggemalen. Een windpoldermolen zorgde daarna voor de afwatering van de polder. In het gebied van de 20e-eeuwse uitbreidingswijken zijn geen archeologische onderzoeken uitgevoerd, ook zijn er geen archeologische toevalsvondsten bekend.
** 6.2.4 .** Fort bij Edam
Het Fort bij Edam maakt deel uit van de Stelling van Amsterdam. De eerste werkzaamheden voor de bouw van het fort vonden plaats in 1885, toen een dienstwoning en een bergloods werden gebouwd. Om te kunnen voldoen aan de Kringenwet werden deze in hout gebouwd, zodat ze in geval van oorlog direct verwijderd konden worden. Aangezien het fort nooit onder vuur is komen te liggen staan deze twee gebouwen er nog. In de periode tot 1908 werden de werkzaamheden uitgevoerd ter voorbereiding van de bouw van het fort zelf: het slappe veen werd afgegraven en er werd zand gestort. In de periode dat het zand inklonk zijn de inundatiewerken voor de polders ten noorden van Edam aangelegd: inundatiesluizen, damsluizen, inlaatputten, verbindingswegen, liniedijken en duikers. In 1908 werd gestart met de bouw van het fort. In tegenstelling tot de eerder gebouwde forten van de Stelling werd dit fort in beton gebouwd en niet in baksteen. In 1913 was de bouw gereed.
** 6.2.5 .** IJsselmeer
Een deel van het grondgebied van de gemeente Edam-Volendam bestaat uit het IJsselmeer. In de beginperiode van de veenontginningen was dit gebied nog bedekt met veen. In die tijd bestond het Almere aan de zuidzijde van het huidige IJsselmeergebied (inclusief de Flevopolder). De bewoners van dit gebied zullen zich terug getrokken hebben met de uitbreiding van het Almere. De dreiging van het water was te groot om zich op deze plaats te handhaven. Niet duidelijk is welke resten van eventuele bewoning nog in het IJsselmeer aanwezig zijn.
Afb. 3 Schoolplaat over de dijkbouw in het IJsselmeer.
**6.3 .** Archeologische gebieden en de regimes
Bij deze beleidsnota hoort een Archeologische Beleidskaart. De kaart is gebaseerd op een uitgebreide inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief en geeft aan welke gebieden een archeologische verwachting hebben. Per gebied is vastgelegd wanneer bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes die hiervoor gelden zijn weergegeven op de Archeologische Beleidskaart. Voor iedereen is dan in één oogopslag duidelijk aan welke regels moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen waar archeologische waarden in het geding kunnen zijn.
In de Monumentenwet staat dat de wettelijke grens voor het betrekken van het archeologisch belang bij ruimtelijke plannen ligt op een planomvang van 100 m². In de gemeente Edam-Volendam is een Archeologische Beleidskaart gemaakt om nuance aan te brengen tussen de verschillende gebiedsdelen van de gemeente met een specifieke archeologische verwachting. Afhankelijk van de kans op de aanwezigheid van archeologische resten is een regime bepaald. De oppervlakte van de bodemingrepen bepalen of bij de realisatie van het plan rekening gehouden moet worden met het archeologisch belang. Soms is die planomvang kleiner dan de 100 m2 uit de Monumentenwet, maar meestal is deze groter. Uitgangspunt van het beleid is om de archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te bewaren en pas over te gaan tot opgraven als het plan, ondanks eventuele aanpassingen, tot verstoring van die waarden leidt. Daarbij zullen alleen die waarden worden onderzocht en gedocumenteerd die door de uitvoering van de planwerkzaamheden worden bedreigd. Binnen de historische dorpskernen van Edam-Volendam zullen, vanwege het belang van behoud van archeologische waarden, beperkingen worden gesteld aan het aanleggen of uitbreiden van ondergrondse ruimtes. Deze beperkingen zullen worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Daarnaast is van belang, dat bij restauratiewerkzaamheden van bouwkundige monumenten rekening wordt gehouden met het zo nodig documenteren van bouwhistorische waarden boven en onder de grond. Indien bij deze werkzaamheden de bodem wordt geroerd dient steeds nagegaan te worden of de archeologische sporen hieronder te lijden zullen hebben. Als dat het geval is, zal documenterend archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Voor het buitengebied wordt het archeologieregime gerealiseerd door middel van een aanlegvergunningstelsel. Dit aanlegvergunningstelsel geldt bij grondroerende werkzaamheden die dieper reiken dan een vastgestelde diepte in een gebied met een bepaalde grootte. Deze grondroerende werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het ploegen van een perceel dieper dan de vastgestelde diepte of het afgraven van grond. Ook peilverlagingen worden hiertoe gerekend, omdat de natte veenbodem veel archeologische sporen heeft bewaard, die door uitdroging van de bodem als gevolg van peilverlaging kunnen verdwijnen. In die gevallen waarbij rekening dient te worden gehouden met archeologische waarden wordt steeds, eventueel na vooroverleg met een archeologisch deskundige, eerst een archeologisch bureauonderzoek verricht, op basis waarvan eventuele vervolgstappen worden genomen. Afweging van het archeologische belang tegen andere belangen kan immers slechts na archeologisch vooronderzoek plaatsvinden. Een overzicht van de diverse te ondernemen stappen bij concrete planvorming wordt gegeven in het Stappenplan AMZ (zie paragraaf 3.3.1).
Bij alle niet-reguliere grondroerende werkzaamheden in de bodem van deze terreinen moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van archeologische waarden, ook bij grondroerende werkzaamheden tijdens restauratiewerk.
De Grote Kerk te Edam (EdVo01)
De Grote Kerk te Edam is gewijd aan St. Nicolaas. De kerk werd gebouwd aan het begin van de 15e eeuw als kruiskerk. De smalle zijbeuken van het schip werden tegen het eind van de 15e eeuw verbreed, waarmee een hallenkerk ontstond. Gedurende de 16e eeuw werd het koor vervangen en werd de librije aangebouwd. Na een brand in 1602 werden herstelwerkzaamheden aan de kerk uitgevoerd en werd de kerk voorzien van glas-in-lood ramen.
De Kleine Kerk te Edam (EdVo02)
De Speeltoren is het enige deel van de Kleine Kerk, ook wel de Onze Lieve Vrouwe Kerk, dat nog resteert. Door verwaarlozing van het gebouw was afbraak in 1883 noodzakelijk. Ook de Kleine Kerk dateerde uit de 15e eeuw, maar mogelijk heeft op deze locatie de eerste kapel van Edam gestaan.
Waardebepaling
In de ondergrond van de (voormalige) kerkterreinen zijn (mogelijk) fundamenten aanwezig van oudere voorlopers van de huidige kerkgebouwen, menselijke resten en sporen van grafrituelen. De Grote Kerk is tevens een bouwkundig rijksmonument.
Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 50 m2 of groter, die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Edam (EdVo03)
Volendam (EdVo04)
Katham (EdVo05)
De historische stads- en dorpskernen zijn op de AMK aangegeven als terreinen van hoge archeologische waarde op basis van het historische kaartbeeld van rond 1850. Het ontstaan van Edam kan vermoedelijk in de 12e of 13e eeuw gedateerd worden. Volendam ontstond in het midden van de 14e eeuw en Katham is ontstaan in de Nieuwe Tijd. De stadsplattegrond van Edam is sinds de 15e eeuw niet meer significant gewijzigd: de continue bewoning van Edam gedurende deze tijd kan hebben gezorgd voor de opbouw van een complex bodemarchief bestaande uit vele lagen.
Waardebepaling
Ondanks het ontbreken van bekende archeologische waarnemingen in de meeste dorpskernen kunnen, gebaseerd op de geschiedenis, sporen van bewoning vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit fundamenten van huizen, ophogingen, afvalkuilen, waterputten, beerputten, paalsporen van huizen, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen alsmede sporen van werkplaatsen en handelsactiviteiten. In Edam kunnen met name langs de havens de restanten van scheepswerven worden verwacht.
De Samson/De Vervanger (EdVo06)
De Fenix (EdVo07)
Westerbuiten (EdVo08)
Broekgouwmolen (EdVo09)
Volmolen (EdVo10)
Poldermolen Volendammermeer (EdVo11)
Purmermolentochten (EdVo12, EdVo13)
Op meerdere locaties in de gemeente hebben molens gestaan. De meeste daarvan waren windpoldermolens die dienden om het overtollige water uit de polders naar het buitenwater te pompen. Twee molengangen van drie molens bemaalden de Purmer. De Volendammermeer werd bemalen door 1 molen. Deze windepoldermolens dateren uit de eerste helft van de 17e eeuw. Ook de Westerbuiten was een windpoldermolen; het is onbekend wanneer hij is gebouwd. Alle windpoldermolens zijn in de 20e eeuw afgebroken. De Broekgouwmolen is de enige windpoldermolen die nog in zijn geheel staat, althans: de opvolger van de eerst molen vrij snel na ingebruikname afbrandde. Gebouwd rond het midden van de 17e eeuw, deze molen bemaalde de Zuidpolder.
Daarnaast is er rondom Edam een aantal industriemolens geweest. De Phenix was een zaagmolen, wanneer deze oorspronkelijk werd gebouwd is onduidelijk. In 1863 brandde de molen af en werd herbouwd. In 1933 werd de molen afgebroken Rond 1626 werd de Samson gebouwd, ook een zaagmolen. In 1854 werd deze molen vervangen door een korenmolen, die de naam De Vervanger meekreeg. Van deze molen rest nog een molenstomp. In de Zuidpolder heeft een volmolen gestaan, deze staat eveneens aangeduid op de kaart van Uitwaterende sluizen van Kennemerland en West-Friesland. Ook dit was een 17e-eeuwse molen: voor 1633 gebouwd, in de 18e eeuw buiten gebruik geraakt. Waardebepaling Op oude kaarten staan molens aangegeven. Deze plaatsen zijn ook op de kaart met de archeologische waarden overgenomen. Mogelijk zijn in de ondergrond resten van de fundering van de molens en de eventuele molengangen of economische activiteiten terug te vinden.
Volgersloot (EdVo14)
Bij inventariserend archeologisch onderzoek in de Zuidpolder is aan de Volgersloot een mogelijke huisterp aangetroffen. Deze dateert uit de periode 11e -13e eeuw. De vindplaats is mogelijk goed geconserveerd door de afdekking met klei uit de Zuiderzee.
Waardebepaling
Gebaseerd op de geschiedenis en kennis van overige veengebieden in de regio, kunnen ter plaatse van de veenterpen bewoningssporen vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit fundamenten van huizen, ophogingen, afvalkuilen, waterputten, beerputten, paalsporen van huizen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
Purmerdijk (EdVo15)
IJsselmeerdijk (EdVo16)
Zuidpolderzeedijk (EdVo17)
Dijkring van de Zeevang (EdVo18)
De dijkring rond de Zeevang kwam aan het einde van de 12e eeuw of het begin van de 13e eeuw tot stand. Deze werd aangelegd toen als gevolg van maaivelddalingen het Almere zich uitbreidde tot de Zuiderzee en men zich tegen het opkomende water wilde beschermen. De vroegste kern van Edam kwam binnen deze dijkring te liggen. De veengebieden ten zuiden van Edam werden pas in de 13e of 14e eeuw bedijkt: nu genoemd de Zuidpolderdijk en de IJsselmeerdijk. De dijk van de Purmer werd aangelegd in het begin van de 17e eeuw, als eerste voorbereiding op de droogmaking van de Purmer.
Waardebepaling
De dijken zijn in de loop van de tijd op diverse manieren verstevigd, verzwaard en verhoogd. In de dijken kan echter nog altijd een kern verwacht worden van de 12e- of 13e-eeuwse dijk. Bovendien kan een doorsnede van een dijk informatie opleveren over de verschillende fasen van ophoging van de dijk en de materialen waarmee dat werd gedaan. Dit maakt de dijk een belangrijke bron van informatie, vooral omdat nog weinig van deze informatie bekend is.
STELLING VAN AMSTERDAM
Fort bij Edam (EdVo19)
Het Fort bij Edam dateert van het begin van de 20e eeuw en werd als een van de laatste forten opgenomen in de militaire verdedigingslinie van de Stelling van Amsterdam. Waardebepaling De resten van het fort leveren een bijdrage aan de militaire geschiedenis van het gebied en de constructie van het fort. Op deze locatie zijn geen sporen van oudere periodes meer te verwachten.
Afb. 4 Ook de Stelling van Amsterdam bestaat uit archeologische waarden.
Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 500 m2 of groter, die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
ONTGONNEN VEENWEIDEGEBIED
Oosterweeren (EdVo20)
Het gebied Oosterweeren is een veenweidegebied dat vanaf ongeveer 1000 na Chr. is ontgonnen. De ontginners groeven afwateringssloten gericht op veenstroompjes om het hoogveen te ontwateren en geschikt te maken voor bewoning en landbouw.
Waardebepaling
Gebaseerd op de archeologische vondsten en op de geschiedenis van de veengebieden in de regio kunnen sporen van landbouw vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit ploegsporen, afvalkuilen, waterputten, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
Lange Weeren (en restant Blokweeren) en water (EdVo27)
Het gebied Lange Weeren is een veenweidegebied dat vanaf ongeveer 1000 na Chr. ontgonnen. De ontginners groeven afwateringssloten gericht op veenstroompjes om het hoogveen te ontwateren en geschikt te maken voor bewoning en landbouw. Waardebepaling Gebaseerd op de archeologische vondsten en op de geschiedenis van de veengebieden in de regio kunnen sporen van landbouw vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit ploegsporen, afvalkuilen, waterputten, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 2500 m2 of groter, die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld of beneden de waterbodemoppervlakte, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Uitbreidingswijken van Edam (EdVo21)
Uitbreidingswijken van Volendam (EdVo22)
Vooral Volendam maar ook wel Edam zijn in de tweede helft van de 20e eeuw uitgebreid met een of meerdere nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen. Deze uitbreidingen van de historische kernen zijn aangelegd in voormalige veenontginningsgebieden waar naar verwachting bewoning aanwezig was in de Middeleeuwen.
Waardebepaling
Door de aanleg van de uitbreidingswijken is de kans groot dat archeologische resten verstoord zijn.
Bodem IJsselmeer (EdVo23)
Op de bodem van het IJsselmeer kunnen sporen aanwezig zijn van verdronken veenontginningen: het gebied het oosten van de IJsselmeerdijk was tot in de 12e eeuw een veengebied, dat vermoedelijk werd ontgonnen vanuit de Ooster Ee. Door de Uitbreiding van het Almere (de latere Zuiderzee) is een groot ontginningsgebied verdronken.
Waardebepaling
Gebaseerd op de geschiedenis van het gebied en de kennis van veengebieden in de omgeving, kunnen sporen van landbouw vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit ploegsporen, afvalkuilen, waterputten, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen. Het is onbekend in hoeverre deze sporen door de aanleg van de wijken zijn verstoord. Het is eveneens onbekend in hoeverre mogelijke archeologische resten in het IJsselmeer zijn verstoord.
Buitendijks land (en restant Blokweeren) (EdVo29)
Het gebied bestaat uit land voor de dijk aan het IJsselmeer. Hier zijn tegenwoordig een camping en een haven. Lange Weeren is een veenweidegebied dat vanaf ongeveer 1000 na Chr. is ontgonnen. De ontginners groeven afwateringssloten gericht op veenstroompjes om het hoogveen te ontwateren en geschikt te maken voor bewoning en landbouw.
Waardebepaling
Gebaseerd op de archeologische vondsten en op de geschiedenis van de veengebieden in de regio kunnen sporen van landbouw vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit ploegsporen, afvalkuilen, waterputten, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 10.000 m2 of groter, die dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Droogmakerij De Purmer (EdVo24)
De Purmer is in het begin van de 17e eeuw drooggelegd. De polder is voornamelijk in gebruik geweest als agrarisch gebied. Er zijn geen archeologische waarnemingen bekend. Met uitzondering van een aantal specifieke locaties (twee molengangen, apart opgenomen op de Archeologische Beleidskaart) is de kans op het aantreffen van archeologische waarden klein. Waardebepaling Ondanks het ontbreken van bekende archeologische waarnemingen kunnen, gebaseerd op de geschiedenis, sporen van landbouw vanaf de droogmaking verwacht worden. Deze kunnen zich reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte bevinden en kunnen concreet bestaan uit ploegsporen, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 500 m2 of groter, die dieper reiken dan 4 m beneden het maaiveld, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Industrieterrein Oosthuizerweg 13 (EdVo28)
In het kader van het bestemmingsplan Oosthuizerweg 13 is archeologisch onderzoek gedaan waarbij werd aangetoond dat eventueel aanwezige resten zich op 4 m diepte bevinden. Voor dit gebied geldt daarom een vrijstellingsdiepte van 4 m. Dat wil zeggen dat toekomstige bodemingrepen die niet dieper dan 4 m reiken, kunnen worden uitgevoerd zonder archeologisch onderzoek. Ook bij plannen die 500 m2 of kleiner zijn hoeft geen rekening te worden gehouden met archeologie.
Vrij van archeologieregime.
Westerweeren (EdVo25)
Het gebied Westerweeren is net als de andere ‘weere’-gebieden een veenweidegebied dat vanaf ongeveer 1000 na Chr. is ontgonnen. In het kader van het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek gedaan waarbij werd aangetoond dat er geen archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Dit deelgebied is (in tegenstelling tot deelgebied Oosthuizerweg EdVo28) vrijgesteld van een archeologieregime.
Zuidpolder (EdVo26)
Er wordt geen archeologieregime gerealiseerd voor de Zuidpolder. In het kader van planontwikkeling heeft reeds inventariserend en waarderend archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn slechts 2 vindplaatsen aangetroffen: een vermoedelijke huisplaats en de vermoedelijke locatie van een molen. De huisplaats is als terrein van archeologische waarde opgenomen op de Archeologische Beleidskaart. De vermoede molen werd bij nader onderzoek niet aangetroffen. De Zuidpolder is vrijgegeven voor de beoogde ontwikkelingen, met uitzondering van de huisplaatslocatie (EdVo14).
De archeologieregimes zijn: > De bijbehorende archeologiecriteria zijn:
Archeologisch Rijksmonument > ministeriële monumentenvergunning
Provinciaal Monument > provinciale monumentenvergunning
Gemeentelijk Monument > gemeentelijke monumentenvergunning
Archeologisch waardevol gebied:
eerste categorie meer dan 0 m2 (dus alle bodemroering)
tweede categorie meer dan 50 m2 en 40 cm diepte
derde categorie meer dan 500 m2 en 40 cm diepte
vierde categorie meer dan 2500 m2 en 40 cm diepte
vijfde categorie meer dan 10.000 m2 en 50 cm diepte
zesde categorie meer dan 500 m2 en 4 m diepte
zevende categorie vrij van archeologiecriteria
EdVo01 Grote Kerk
EdVo02 Kleine Kerk
EdVo03 Historische kern Edam
EdVo04 Historische kern Volendam
EdVo05 Historische kern Katham
EdVo06 Molenplaats De Samson/De Vervanger
EdVo07 Molenplaats De Fenix
EdVo08 Molenplaats Westerbuiten
EdVo09 Broekgouwmolen/Zuidpoldermolen
EdVo10 Volmolen
EdVo11 Poldermolen Volendammermeer
EdVo12 Purmermolentocht (noordelijk)
EdVo13 Purmermolentocht (zuidelijk)
EdVo14 Huisplaats Volgersloot
EdVo15 Purmerdijk
EdVo16 IJsselmeerdijk
EdVo17 Zuidpolderzeedijk
EdVo18 Dijkring van de Zeevang
EdVo19 Fort bij Edam
EdVo20 Oosterweeren
EdVo27 Lange Weeren (en restant Blokweeren) en water
EdVo21 Uitbreidingswijken van Edam
EdVo22 Uitbreidingswijken van Volendam
EdVo23 Bodem IJsselmeer
EdVo29 Buitendijks land (en restant Blokweeren)
EdVo24 Purmer
EdVo28 Industrieterrein Oosthuizerweg 13
EdVo25 Westerweeren
EdVo26 Zuidpolder
Artikel 6.