Naar hoofdinhoud
In dit hoofdstuk wordt ter oriëntatie een indicatief overzicht gegeven van de kosten(posten) op het gebied van het gemeentelijk archeologiebeleid. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in projectgebonden kosten en meer algemene kosten. Verder komt aan de orde hoe de uiteenlopende kosten van het archeologisch onderzoek en het gemeentelijk beleid worden gefinancierd. 5.1 . Het veroorzakersprincipe Een belangrijk nieuw element in de Wet op de archeologische monumentenzorg is de introductie van het veroorzakersprincipe. Initiatiefnemers tot bodemverstorende maatregelen - dat kunnen particuliere exploitanten zijn, de gemeente zelf of andere overheden - kunnen op grond van dit principe worden verplicht de kosten van het benodigde archeologisch (voor)onderzoek voor hun rekening te nemen. De gedachte hierachter is dat wie economisch (of anderszins) belang heeft bij de verstoring van de bodem, financieel geprikkeld wordt om het bodemarchief zo verantwoord mogelijk mee te wegen in de voorgenomen ontwikkeling. 5.2 . Kosten van archeologisch onderzoek Bij strikte toepassing van het veroorzakersprincipe kan de realisatie van een bepaald project in gevaar komen door de hoogte van de archeologiekosten. Bij grote projecten zullen de kosten voor archeologie naar verhouding niet snel worden ervaren als excessief. Kleinschalige initiatieven, in zowel ruimtelijke als economische zin, daarentegen zullen eerder leiden tot archeologiekosten die niet in verhouding staan tot de totale stichtingskosten. In een dergelijke situatie is het niet redelijk dat alle kosten volledig ten laste komen van de veroorzaker. Het college zal een afweging maken de archeologiekosten van de veroorzaker gedeeltelijk te compenseren (nadeelcompensatie). De Rijksdienst doet momenteel onderzoek naar de manieren waarop de nadeelcompensatie het beste kan worden geregeld. Tot enkele jaren geleden kon de gemeente bij de rijksoverheid een beroep doen op een specifieke uitkering indien de excessieve archeologiekosten van de veroorzaker niet door de gemeentelijke bijdrage konden worden bestreden. 5.3 . Gemeentelijk archeologiebudget De kosten voor het gemeentelijk archeologiebeleid kunnen niet volledig worden gedekt door bestaande gemeentelijke begrotingsposten of opname van archeologiekosten in gemeentelijke projectbegrotingen. Daarom wordt overwogen een gemeentelijk archeologiebudget in te stellen. Uit dit budget worden, voor zover er niet op andere wijze in kan worden voorzien, de diverse archeologiekosten bestreden. In de eerste plaats kan het budget jaarlijks worden gevuld met gelden uit het gemeentefonds. In dit fonds doet de rijksoverheid jaarlijks stortingen ter vergoeding van de gemeentelijke uitvoeringslasten als gevolg van de Wet op de archeologische monumentenzorg. Daarnaast zou een deel van de legesheffing (op omgevingsvergunningen) voor archeologie kunnen worden aangewend. Het benodigde budget voor de uitvoering van archeologische monumentenzorgtaken zal door de gemeente tenminste worden samengesteld uit onderstaande kostenposten. actualiseren van de Archeologische Beleidskaart (zie paragraaf 2.1); opstellen van een verordening ter bescherming van het bodemarchief (zie paragraaf 2.3); maatregelen ten behoeve van het beheer van archeologisch waardevolle terreinen (zie paragraaf 3.6); het zeldzame geval dat onderzoek gedaan moet worden naar aanleiding van een toevalsvondst (zie paragraaf 3.8); bestrijden van excessieve kosten van archeologisch onderzoek (zie paragraaf 5.2); opvangen van de kosten indien een (deel van een) specifieke uitkering van rijkswege onvoorzien wordt geweigerd (zie paragraaf 5.2); advies van seniorarcheoloog. 5.4 . Projectkosten In het kader van de planvoorbereiding kan het nodig zijn het archeologisch onderzoekstraject te doorlopen. De kosten voor archeologisch (voor)onderzoek dienen dan ook van meet af aan te worden meegenomen in de begroting van het betreffende project of besluit. Van de kosten van archeologisch onderzoek is geen eenduidige indicatie te geven omdat zij afhankelijk zijn van vele factoren. Zo is op voorhand niet duidelijk in hoeverre het onderzoekstraject moet worden doorlopen. Wel is duidelijk dat verkennend en karterend vooronderzoek relatief het goedkoopst is, waardestellend onderzoek duurder en een opgraving het duurst. Tenminste moet met onderstaande kostenposten in de projectbegroting rekening worden gehouden. bureauonderzoek; schrijven of toetsen Programma's van Eisen; advisering/directievoering (onder meer bij het laten toetsen van archeologische rapportages); inventariserend veldonderzoek (verkennend, karterend en waarderend); opgraving; behoud in de bodem door planaanpassingen.

Rechtspraak bij dit artikel