In hoofdstuk 2 is op hoofdlijnen het beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit uiteen gezet. Hierin wordt onder andere het generieke en gebiedsspecifieke beleid kort toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten en de functiekaarten. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op het generieke beleidskader (inclusief het op de kant verspreiden van baggerspecie), waarna in hoofdstuk 5 de grootschalige bodemtoepassing en de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie worden besproken. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op het gebiedsspecifieke beleid. In dit hoofdstuk is beschreven welke extra mogelijkheden zijn gecreëerd voor grond- en baggerverzet binnen de regio.
Hoofdstuk 7 behandelt een aantal specifieke situaties zoals grond- en baggerverzet binnen grondwaterbeschermingsgebieden en wegbermen buiten de bebouwde kom, werkzaamheden aan kabel- en leidingtracés en de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie in relatie tot gebiedsspecifiek beleid.
De eisen die worden gesteld aan bewijsmiddelen worden in hoofdstuk 8 toegelicht. In hoofdstuk 9 wordt het toetsingskader nader toegelicht en in hoofdstuk 10 wordt afgesloten met de procedurele aspecten, zoals het verrichten van meldingen, het transport en handhaving.
In bijlage 1 is een begrippenlijst opgenomen. Woorden die italic in de tekst staan, worden toegelicht in de begrippenlijst.