Naast de kwaliteitskaarten speelt in het generieke beleid ook de functie van de bodem een rol. Naast standstill op kwaliteitsklasse is de doelstelling van het beleid namelijk ook dat de bodemkwaliteit geschikt blijft of wordt voor de gebruiksfunctie van de bodem.
In figuur 4 zijn de gebruiksfuncties van het generieke beleid weergegeven. In bijlage 4 treft u de functiekaarten voor de regio Zuid-Holland Zuid aan. Omdat aan de bodem onder oppervlaktewater geen functieklasse kan worden toegekend, zijn deze gebieden apart op de functiekaarten aangegeven.
Figuur 4: Gebruiksfuncties van de bodem (generiek beleid) (NB: kleuren corresponderen met de opgestelde functiekaarten)
(Weg)bermen
Ten aanzien van wegbermen binnen de bebouwde kom (incl. lintbebouwing) wordt opgemerkt dat de regio Zuid-Holland Zuid heeft besloten dat voor de functieklasse aansluiting moet worden gezocht bij het omliggende gebied. De wegbermen buiten de bebouwde kom hebben de functieklasse industrie toegewezen gekregen.
Omdat het inkleuren van al deze wegen en bermen de leesbaarheid van de functiekaart niet bevordert, is ervoor gekozen deze functie niet fysiek op de kaart aan te geven maar alleen als zone te beschrijven in de nota.
Aan de bermen van de Rijkswegen alsmede de spoorbermen c.q. de spoorzone is eveneens de functieklasse industrie toegekend. Dit op verzoek van het consortium van Rijkswaterstaat, SBNS en Prorail (brief van 30 juni 2009 met kenmerk RWS/DVS2009/1569).
Voor wat betreft de begrenzing van deze bermen wordt aangesloten bij onderstaande figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). Indien de in de figuren aangegeven begrenzing verder van de verhardingskant is gelegen dan 10 meter, dan geldt 10 meter als maximale bermbreedte.
Figuur 5: Begrenzing bermen
Omgaan met functiewijzigingen
De functiekaart is een statische kaart die actueel gehouden moet worden. In de meeste gevallen is de kaart zodanig opgesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen die in de nabije toekomst (tot 5 jaar na opstellen van de kaart) plaatsvinden zijn meegenomen als 'nieuwe' functie in de kaart. In een enkel geval kan het voorkomen dat de functie van een locatie wijzigt als gevolg van een bestemmingsplanwijziging in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO). De functie zoals verwoord in de functiekaart correspondeert dan niet meer met de actuele functie van de locatie.
In deze voorkomende gevallen dient het lokaal bestuur in projectbesluiten of ontheffing zoals genoemd in de WRO de aanpassing op de vastgestelde functiekaarten in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit mede vast te leggen. De nieuwe vastgestelde functie zal niet direct doorgevoerd kunnen worden in de betreffende kaarten en beheernota. Het continu aanpassen van de functiekaarten en het onderzoeken van de gevolgen voor de toepassingskaarten kost een onevenredige inspanning. Daarom worden de functiekaarten niet frequent aangepast, maar dient de gewijzigde bestemming betrokken te worden bij de afweging welke klasse grond of baggerspecie mag worden toegepast volgens het generieke kader. De bestemmingen uit het bestemmingsplan dienen hierbij dan "vertaald" te worden naar de bovenstaande gebruiksfuncties uit het generieke beleid.
Nieuwe parameters
De gemeenten maken gebruik van het overgangsrecht zoals beschreven in artikel 76 van het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaarten zijn gebaseerd op het stoffenpakket zoals dit geldend was vóór 1 juli 2008 (zie paragraaf 3.4). De bodemkwaliteitskaarten bevatten derhalve geen informatie over de gehalten aan barium, kobalt, molybdeen en PCB's.
Het genoemde overgangsbeleid stelt echter dat voor deze nieuwe parameters de maximale waarden van de gebruiksfunctie van de ontvangende bodem als toepassingseis mogen worden gehanteerd. Er vindt voor deze parameters dus geen toets aan de bodemkwaliteitsklasse plaats. Deze invulling geldt alleen voor de genoemde stoffen en alleen zolang gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. In bijlage 5 zijn de toepassingseisen per zone op stofniveau weergegeven.
Hierbij wordt opgemerkt dat met de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit van 2009 de maximale waarden voor de klassen AW2000, wonen en industrie voor de parameter barium zijn vervallen. De verwachting is dat er mogelijk in 2010 een nieuwe richtlijn voor het toetsen van deze parameter wordt vastgesteld. Om tot die tijd het functioneel gebruik van de bodem te kunnen beschermen, en daarnaast rekening te kunnen houden met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming, heeft de regio besloten om voor de parameter barium geen toetsing uit te voeren als de concentratie onder de interventiewaarde blijft. De interventiewaarde voor barium (Ba) is vastgesteld op 920 mg/kg.ds voor standaard bodem.