Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.3

Kabels en leidingen

Onderdeel van Bodembeheernota Zuid-Holland Zuid

In paragraaf 2.2 is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Ook de afstand ten opzichte van bijvoorbeeld het grondwater moet voor en na de tijdelijke uitname vergelijkbaar zijn. Reden hiervoor is dat de kwaliteitsklasse van de bovengrond over het algemeen slechter is dan die van de ondergrond (zie paragraaf 3.1). Door het niet gescheiden houden van beide lagen, worden verschillende kwaliteitsklassen gemengd. Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Hierbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Dit is met figuur 12 geïllustreerd. Figuur 12: Werkzaamheden kabels en leidingen Uitzonderingssituatie Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, is door de regio besloten om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Dit betekent dat in het traject 0,0-2,5 m -maaiveld de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst. In figuur 13 is één en ander schematisch weergegeven. Figuur 13: Uitzonderingssituatie leidingentracés Voorwaarde hierbij is wel dat de maximale kwaliteitsklasse van de grond die wordt teruggeplaatst, voldoet aan de kwaliteitsklasse die voor de betreffende locatie uit de toepassingskaart (bijlage 3) blijkt. Deze uitzondering geldt tot een maximale diepte van 2,5 m -maaiveld en is alleen van toepassing binnen de gebieden met de gebruiksfunctie wonen of industrie zoals blijkt uit de functiekaart (bijlage 4). Ook dient bij het terugplaatsen van de grond de in paragraaf 2.2 genoemde zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming in acht te worden genomen. Overwegingen Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van kabel- en leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. Dit wordt geaccepteerd in verband met het intensieve gebruik van de grond in de verstedelijkte gebieden en de verwaarloosbare risico's van deze toepassing Daarnaast wordt opgemerkt dat naar verwachting de grond ter plaatse van deze tracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond. Het in deze paragraaf beschreven beleid geldt ook wanneer grond in het traject van 0,5-2,5 m -maaiveld toegepast wordt voor bijvoorbeeld het opvullen/aanvullen van een rioolsleuf of als grondverbetering voor de aanleg van een fundering. Daarbij mag grond toegepast worden die voldoet aan de klasse uit de toepassingskaart van de bovengrond. Deze uitzondering geldt tot een maximale diepte van 2,5 m -mv. en is alleen van toepassing binnen de gebieden met de gebruiksfunctie wonen of industrie.

Rechtspraak bij dit artikel