Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.4

Tijdelijke opslag grond

Onderdeel van Bodembeheernota Zuid-Holland Zuid

In paragraaf 5.2 zijn de voorwaarden, die worden gesteld aan de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen, beschreven. Eén van deze voorwaarden is dat de kwaliteitsklasse van de partij grond of baggerspecie die in opslag wordt genomen, vergelijkbaar dan wel beter moet zijn dan de kwaliteitsklasse van de bodem waarop de opslag plaatsvindt. Deze voorwaarde past prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader. Echter, bij grondverzet binnen de regio Zuid-Holland Zuid volgens het gebiedsspecifieke toepassingsbeleid zoals beschreven in paragraaf 6.1, leidt dit tot problemen. Dan kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie wel partijen grond of baggerspecie mogen worden toegepast maar dat dezelfde partijen grond of baggerspecie daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Gezien deze discrepantie is door de regio het volgende besloten: Partijen grond of baggerspecie die, volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie paragraaf 6.1) op een bepaalde locatie binnen de regio mogen worden toepast, mogen eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag worden genomen. De andere voorwaarden voor de tijdelijke opslag, zoals genoemd in paragraaf 5.2, blijven onveranderd van kracht.

Rechtspraak bij dit artikel