In artikel 87 van het RVV 1990 is opgenomen van welke artikel door het bevoegd gezag ontheffing kan worden verleend. In het onderstaande overzicht zijn deze opgenomen voor zover deze van toepassing zijn op wegen in de gemeente Soest.
Plaats op de weg
Art 3
(1e lid)
Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.
Art 4
Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.
Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.
Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt.
Art5
(1e en 2e lid)
Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.
Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
Art 6
(1e, 2e en 3e lid)
Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.
Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.
Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.
Art 8
Ruiters gebruiken het ruiterpad.
Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.
Art 10
Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken
Parkeren en stilstaan
Art 23
(1e lid)
De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:
op een kruispunt of een overweg;
op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;
op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;
in een tunnel;
bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die
markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;
op de rijbaan langs een busstrook en
langs een gele doorgetrokken streep.
Art 24
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;
voor een inrit of een uitrit;
buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;
op een parkeergelegenheid:
voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;
op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;
op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;
langs een gele onderbroken streep;
op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;
op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderborddagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.
De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.
Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E9 of E11 tot en met E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.
Art 25
Het is verboden in een parkeerschijfzone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die alszodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.
Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
Op de parkeerschijf staat het tijdstip aangegeven waarop met parkeren is begonnen. Eenparkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.
Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgendehele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.
Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lidslechts gedurende die dagen of uren.
Art 26
Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:
een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;
een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of
indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.
Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep
Art 46
Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.
Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijfzone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van toepassing.
Slepen
Art 53
Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.
Vervoer van personen in een laadruimte of aanhangwagen
Art 61b
Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.
op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;
in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven
op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven.
Verkeersborden
Art 62
C1
Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee
C2
Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee
C4
Eenrichtingsweg
C6
Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen
C7
Gesloten voor vrachtauto's (en/of autobussen)
C8
Gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h
C9
Gesloten voor ruiters, vee, wagens, motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h en brommobielen alsmede fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen
C10
Gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen
C11
Gesloten voor motorfietsen
C12
Gesloten voor alle motorvoertuigen
C13
Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met in werking zijnde motor
C14
Gesloten voor fietsen en voor gehandicaptenvoertuigen zonder motor
C15
Gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen
C16
Gesloten voor voetgangers
C17
Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven
[de gemeente Soest verleent van dit bord geen ontheffing]
C18
Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven
[de gemeente Soest verleent van dit bord geen ontheffing]
C19
Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven
[de gemeente Soest verleent van dit bord geen ontheffing]
C20
Gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven
[de gemeente Soest verleent van dit bord geen ontheffing]
C21
Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven
[de gemeente Soest verleent van dit bord geen ontheffing]
C22a
Gesloten voor vrachtauto's die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d RVV
D2
Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft
D4
Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven
D5
Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven
D6
Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven
D7
Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven
E1
Parkeerverbod
E2
Verbod stil te staan
E3
Verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen
F7
Keerverbod
Verkeerstekens en -markeringen
Art 76
Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.
Het eerste lid is niet van toepassing:
indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten;
indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;
op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht
Art 77
Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.
Art 78
Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook.Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft.
Art 81
Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1
REGLEMENT VERKEERSREGELS EN VERKEERSTEKENS (RVV 1990)
Onderdeel van Beleidsregels Verkeersontheffingen