De Wvg biedt gemeenten de mogelijkheid een voorkeursrecht te vestigen, hetgeen wil zeggen dat eigenaren in het gebied waar het voorkeursrecht op is gevestigd verplicht zijn bij voorgenomen verkoop het eigendom eerst aan de gemeente te koop aan te bieden.
De Wvg blijft in principe een passieve manier van verwerven. De eigenaar moet immers zijn eigendom aanbieden. Als de eigenaar niets doet, kan de gemeente de koop niet afdwingen. Wel wordt met de Wvg bereikt, dat eigenaren niet kunnen verkopen aan derden. Prijsopdrijving wordt hiermee voorkomen. Verder kan de Wvg worden beschouwd als een ‘beschermingsinstrument’ tijdens de planontwikkelingsperiode. Eigenaren zullen niet of minder gaan investeren in met de planontwikkeling strijdige ontwikkelingen, omdat de eigenaren weten dat zij er de investering mogelijk niet meer terugverdienen.
Uit het voorgaande blijkt dat het vestigen van een Wvg op gronden geen garantie is dat de gemeente de grond ook daadwerkelijk in handen krijgt. Immers verkoop vindt nog altijd plaats op basis van vrijwilligheid. Als de gemeente de grond persé in handen wil krijgen zal ook de samenhang met onteigening worden bekeken.
Tenslotte is het zo dat een WvG alleen effectief is wanneer er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om gronden te verwerven. Dit betekent dat er een budget moet zijn in een actieve grondexploitatie, dan wel dat aankopen vanuit een strategisch verwervingsbudget moeten worden gedaan.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1
Artikel 5.1.2
Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg)
Onderdeel van Geactualiseerde nota grondbeleid 2016