Een wettelijk voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Deze voorzieningen noemen we 'voorliggend' omdat ze voorrang hebben op voorzieningen uit de Jeugdwet. Voorliggende voorzieningen waar de jeugdige gebruik van kan maken zijn:
aanspraak op zorg op grond van de “Wet langdurige zorg” (Wlz);
aanspraak op zorg op grond van de “Wet Passend Onderwijs”;
recht op zorg op grond van de “Zorgverzekeringswet”;
voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet hier aantonen dat inderdaad sprake is van een andere mogelijkheid om het probleem op te lossen middels een voorliggende voorziening;
aanspraak op zorg op grond van de “Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen”.
Er is pas sprake van een voorliggende voorziening als de jeugdige ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op die voorziening. De voorliggende wet moet dus inderdaad mogelijkheden bieden voor hulp of behandeling. Van de jeugdige en/of ouders kan dan worden verwacht dat zij gebruik maken van die voorliggende voorziening. Van een voorliggende voorziening is geen sprake als de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt.
Wet langdurige zorg (Wlz)
Via de Wlz wordt zorg geleverd voor jeugdigen die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg. De zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De uitvoering van de Wlz wordt gedaan door de zorgkantoren.
Als een jeugdige aanspraak kan maken op de Wlz, dan wordt van de jeugdige en/of ouder(s) verwacht dat zij een Wlz-aanvraag doen. Voor zover de hulp uit de Wlz wordt bekostigd, hoeft het college geen jeugdhulp in te zetten. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz niet en vallen dus mogelijk onder het bereik van de Jeugdwet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan.
Passend Onderwijs
Kinderen met leer- of gedragsproblemen kunnen extra zorg op school nodig hebben. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat leerlingen een zo passend mogelijke onderwijsplek krijgen. Ook als die leerlingen extra ondersteuning nodig hebben.
Samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van passend onderwijs. De verantwoordelijkheid voor passend onderwijs is vastgelegd in de verschillende onderwijswetten, waaronder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.
Zorgplicht van het onderwijs
Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht. Dit betekent dat de school verplicht is om kinderen die extra ondersteuning nodig hebben een zo goed mogelijke plek (passend) in het onderwijs aan te bieden. Niet elke school hoeft zorgleerlingen op te vangen. Maar binnen het samenwerkingsverband moet er wel een passende plek te vinden zijn op een andere school.
Afbakening passend onderwijs en Jeugdwet
Als de extra ondersteuning voor de leerling primair gericht is op het leerproces, is de school verantwoordelijk. Het gaat dan om ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Dat de ondersteuning mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, doet daar niet aan af.
Voorbeelden van ondersteuning van een leerling zijn (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 16; MvT wetsvoorstel passend onderwijs):
speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken;
observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog;
het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken);
remedial teaching;
begeleiding bij dyslexie;
sociale vaardigheidstraining;
kindcoaching.
Onderwijs-zorgarrangementen
Er kan een onderwijs-zorg arrangement worden afgesproken: dit is een integrale samenwerking tussen jeugdhulp en het onderwijs. Doel hiervan is dat de desbetreffende jongere zich optimaal en ononderbroken kan ontwikkelen. Het gaat hierbij om maatwerk. Het uitgangspunt is dat er altijd gestreefd wordt door beide partijen naar een samenhangend beeld van de problematiek van een kind, zowel thuis, op school als in andere contexten. Voor de inhoud van Onderwijs-zorgarrangementen wordt verwezen naar de Handreiking en het afwegingskader Onderwijs-zorgarrangementen welke te vinden is in het document Onderwijs-zorgarrangementen West Friesland. https://www.dewestfrieseknoop.nl/uploads/20210705_po_Handreiking_en_afwegingskader_Onderwijszorgarrangementen.pdf
Huiswerkbegeleiding
Huiswerkbegeleiding ziet op het begeleiden van de leerling bij het structureren, plannen en zelfstandig maken van huiswerk. Deze hulp is primair gericht op het leerproces en het doorlopen van het onderwijsprogramma. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Huiswerkbegeleiding kan niet gezien worden als jeugdhulp. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen (zie ook Rechtbank Rotterdam 1-7-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5711, nr. 19/2763 ROT).
Dyslexie
Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering en begeleiding van jeugdigen met lichte en matige dyslexie. De ondersteuning van leerlingen met dyslexie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Fysieke hulpmiddelen bij dyslexie horen daar ook bij. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen.
De gemeente is wel verantwoordelijk voor de bekostiging van diagnostiek en behandeling van kinderen met ernstige enkelvoudige dyslexie in de leeftijd van 7-12 jaar die basisonderwijs volgen. Er zijn afspraken tussen de gemeente en het onderwijs gemaakt over de toeleiding naar diagnostiek en behandeling bij ernstige enkelvoudige dyslexie. De toeleiding voor deze ondersteuning verloopt via het onderwijs.
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Een voorziening op grond van de Wmo 2015 wordt gezien als een voorliggende voorziening (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). Als een jeugdige een Wmo-voorziening krijgt, bestaat geen recht op een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet, behalve als gaat het om begeleiding aan jeugdigen tot 18 jaar. Deze begeleiding valt onder de Jeugdwet. De Wmo 2015 biedt voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, zoals een rolstoel, en woningaanpassingen.
Beschermd wonen en beschermd thuis
Beschermd wonen voor personen vanaf 18 jaar valt onder de Wmo 2015. Beschermd wonen kan verleend worden aan personen met psychische problemen of psychosociale problemen. Het gaat om personen die als gevolg van deze problemen niet in staat zijn zich op eigen kracht staande te houden in de samenleving. Zij kunnen dan wonen in een instelling die hen een beschermende woonomgeving biedt met daarbij behorend toezicht en begeleiding.
Steeds vaker blijven deze mensen in hun eigen huis wonen en komen de hulpverleners bij hen thuis. Deze beweging zorgt ervoor dat mensen mee kunnen blijven doen in de samenleving en structuur in hun dagelijks leven behouden.
Beschermd wonen is geen voorziening onder de Jeugdwet. Voor jeugdigen tot 18 jaar wordt beschermd wonen gezien als noodzakelijke zorg geboden door ouders.
Zorgverzekeringswet
De Zorgverzekeringswet regelt het recht op medisch noodzakelijke zorg. Dit recht geldt voor verzekerden van alle leeftijden. De medisch noodzakelijke zorg is vastgelegd in het basispakket.
Een recht op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt gezien als een voorliggende voorziening. Als een jeugdige dus zorg uit de zorgverzekering krijgt, bestaat geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Behalve als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de jeugdige. In dat geval gaat de jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet voor (artikel 1.2 lid 2 Jeugdwet).
Jeugd-GGZ
De behandeling en diagnose van geneeskundige ggz voor kinderen tót 18 jaar valt onder de Jeugdwet. Dat geldt ook voor het verblijf in een ggz-instelling en het vervoer van en naar de instelling.
Vanaf het moment dat een jeugdige 18 jaar wordt valt GGZ-zorg onder de Zorgverzekeringswet (basisverzekering).
Medicatie
Als een jeugdige niet in een instelling verblijft en medicijnen krijgt vanwege een psychische stoornis, dan valt dit onder de Zorgverzekeringswet. Het gaat dan enkel om het organiseren van het gebruik van de medicatie. Als een consult van een psychiater nodig is in verband met de medicatie valt dit onder de Jeugdwet, zoals medicatiecontroles. (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 52-53)
Verpleging
Verpleging valt volledig onder de Zorgverzekeringswet.
Verzorging
Onder de Zorgverzekeringswet valt de persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Bedoeld wordt de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een kinderverpleegkundige of er sprake is van 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Als dat zo is, geeft de kinderverpleegkundige een indicatie af voor persoonlijke verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet. Voorbeelden van deze zorg zijn: schoonhouden en verzorgen van een stoma, toedienen medicijnen, toedienen van sondevoeding.
Onder de Jeugdwet valt de persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen. Bedoeld wordt de zorg die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Dit wordt beoordeeld door een jeugdconsulent of een gebiedsteammedewerker. Bijvoorbeeld begeleiding bij: lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, reguliere huidverzorging en tandenpoetsen.
Hoofdstuk 4:
Artikel 12.
Wettelijk voorliggende voorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec houdende beleidsregels omtrent jeugdhulp