Om voor het centrale lint in Soest te komen tot een goed gewogen beeldkwaliteitsadvies, is het nodig om binnen de mix van afwisselende lintbebouwing, bepaalde eenheden of steren van elkaar te onderscheiden. De analyse van de stedebouwkundige en ruimtelijk-functionele structuur in hoofdstuk 2 is daarom gebruikt om te komen tot een onderverdeling van de bebouwing in een aantal clusters. Het samenstel van historische, functionele, stedebouwkundige en architektonische kenmerken maakt het mogelijk om het bebouwingslint onder te verdelen in een zevental clusters. Per cluster is er sprake van een karakteristiek, waar de meeste panden in het cluster door worden gekenmerkt. Het beeldkwaliteitsplan is erop gericht deze kenmerken per cluster te versterken, om zodoende meer samenhang en rust in de clusters te krijgen, terwijl de kenmerkende afwisseling langs de route blijft bestaan. Natuurlijk dienen ook de overgangen tussen de clusters met de nodige zorg te worden behandeld.
Om een goed oordeel te kunnen geven over de gewenste beeld kwaliteit, is het nodig om op een lagere schaal - op bouwblokniveau - de stedebouwkundige en architektonische kenmerken verder te analyseren. Binnen elk cluster zijn er een of meerdere stedebouwkundige eenheden te onderscheiden. Deze zogenaamde ensembles zijn gebouwen of bouwblokken die stedebouwkundig en/of architektonisch sterk verwant zijn.
In het tweede deel van dit rapport warden op zowel het schaalniveau van de clusters als de ensembles, de specifieke beeldkwaliteitskenmerken nader uit de doeken gedaan. De clusters en ensembles worden besproken aan de hand van een lijst met stedebouwkundige en architektonische beoordelingscriteria. De verschillende aspecten van de stedebouwkundige en architektonische beoordelingscriteria, worden in paragraaf 3. 1. verder toegelicht.
Bij de bespreking van elk ensemble zullen tevens aanbevelingen warden gedaan ter verbetering van de toekomstige beeldkwaliteit . Ten aanzien van de na te streven beeldkwaliteit zijn er een aantal algemeen geldende richtlijnen die voor alle ensembles gelden.
Deze algemene richtlijnen komen in paragraaf 3.2 aan bod. Aanbevelingen voor het beleid ten aanzien van reclame-uitingen en maaiveldinrichting zijn geen onderdeel van dit beeldkwaliteitsplan. Hiervoor zijn aparte studies noodzakelijk.
Stedebouwkundig
la bijzondere stedebouwkundige ruimtes (vergeleken met het straatprofiel):
Dit zijn bijvoorbeeld pleinen, ruimt es die ontstaan zijn onder invloed van de infrastructuur en het landschap, en ruimtes die behoren bij een specifieke openbare functie, zoals een kerk, een monument, of museum.
rooilijn bebouwing:
In een lijn of verspringend.
dichtheid en korrelgrootte straatwanden:
Aaneengesloten bebouwing, vrijstaande bouwvolumes, of tussenvormen hiervan. Bij de laatste twee is de korrelgrootte van de straatwand sterk bepalend voor de samenhang. De bebouwing langs de straat wordt ruimtelijk niet alleen sterker als een samenhangend geheel ervaren wanneer de afstand van de bouwvolumes onderling klein is, maar tevens wanneer de verhoudingen van de bebouwing onderling op elkaar zijn afgestemd. Het gaat hierbij om de verhouding van de breed
te, in relatie tot het aantal bouwlagen en de kapvorm/-richting.
profielen:
Dit wordt bepaald door de afstand tussen de straatwanden en de hoogte ervan: besloten steer, open steer.
inrichting buitenruimte:
Openbaar groen, boomstructuur, tuinen, verharding, parkeren, inrichtingselementen.
Architektonisch
stijlen:
Veel stijlen en bouwperioden vallen onder de algemene noemer: "baksteenarchitektuur". Van de oorspronkelijke bebouwing zijn veel objecten niet toe te schrijven aan een bepaalde stijl; zij worden vaak aangeduid als "dorpsarchitektuur". Daar naast kunnen er meer specifieke bouw stijlen onderscheiden worden, zoals bijvoorbeeld de Neorenaissance-stijl, de Zakelijkheid uit het begin van deze eeuw en de naoorlogse functionalistische en modernistische bebouwing. Bij de bespreking van de clusters en ensembles zullen regelmatig bepaalde bouwstijlen genoemd worden. In de bijlage bouwstijlen is een overzicht te vinden van de bouw kundige kenmerken van de belangrijkst e bouw stijl en die in het plangebied vertegenwoordigd zijn .
korrelgrootte:
bij (min of meer) vrijstaande bebouwing wordt de korrelgroot te hoofdzakelijk bepaald door de hoofdvorm van de afzonder lijke panden. Bij aaneengesloten panden kan de korrelgrootte tevens door de architektonische uitwerking van de gevels bepaald worden. Zo kan een groot pand optisch opgedeeld worden in meerdere panden, waardoor de korrelgrootte wordt verkleind. Door de korrelgrootte in een straatwand op elkaar af te stemmen wordt de samenhang vergroot . Dit kan ver sterkt worden door de stijl, de materialen en het kleurgebruik van de verschillende panden op elkaar af te st emmen.
materiaal- en kleurgebruik:
metselwerk, plaatmaterialen, glas, dakpannen, etc.
invloed functie(-wijzigingen) op architektuur en terreininrichting :
bij winkels en bedrijven met een showroomfunctie is er vaak sprake van een verbroken architektonische relatie tussen het begane grond- en het verdiepingsniveau. Dit kan de volgende oorzaken hebben: luitels over de gehele breedte van het pand, grote glazen puien over de gehele breedte van de begane grondgevel (zonder penanten of enige andere relatie met de bovenverdieping) of een afwijkend en expressiever kleur- en materiaalgebruik.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1.
Beoordelingscriteria clusters en ensembles
Onderdeel van Beeldkwaliteitsplan centrale lint