Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.1

Oppervlakte-ondergrenzen

Onderdeel van Beleidsnota archeologie 2011

De basis voor de voorgestelde oppervlakte-ondergrenzen vormt de wettelijke 100m2-ondergrens (MW, art. 41a). Uitzondering hierop vormen de vergunningaanvragen ter plekke van beschermde archeologische rijksmonumenten, die altijd door de RCE beoordeeld dienen te worden. De wettelijke 100m2-grens voor een archeologische onderzoeksplicht mag door een gemeenteraad beargumenteerd naar boven of beneden bijgesteld worden. De bureaustudie van RAAP richtte zich met name op de vraag, waar dient de ondergrens strenger te worden, en waar kan het ondergrensbeleid versoepelt worden. De gekozen ondergrenzen zijn mede gebaseerd op de eigenschappen van de bodem en op de aard (en de kwetsbaarheid) van het bodemarchief, dat in onze gemeente is te verwachten. Uit de bureaustudie van RAAP bleek dat er in de gemeente Soest diverse gebieden aanwezig zijnwaar een hoge archeologische waarde geldt. Dit zijn hoofdzakelijke de AMK-terreinen (Soester Eng, Brink, grafheuvels en andere bekende archeologische vindplaatsen). Voor deze Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG 1 en 2-gebieden) is ter bescherming van de aanwezige archeologische resten in de bodem een strengere ondergrens nodig. Voor de AWG1-gebieden (grafheuvels) is een ondergrens van 0m2 voorgesteld. Grafheuvels zijn namelijk zulke kwetsbare vindplaatsen dat iedere bodemingreep hier desastreus kan zijn. Voor vergunningaanvragen ter hoogte van een grafheuvel, of zijn directe omgeving (straal van enkele meters eromheen), is altijd een archeologietoets nodig door het bevoegd gezag! Voor de AWG2-gebieden (Eng, Brink, boerderijplaatsen, vindplaatsen) is een ondergrens van 50m2 voorgesteld. In deze gebieden zijn archeologische resten in de bodem aanwezig die bij geringe bodemverstoring al vernietigd kunnen worden. Om kleine ‘huis-tuin-en-keukenprojecten’ toch vrij te stellen van een archeologische onderzoeksplicht, is de grens van 50m2 voorgesteld. Voor de Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV 1, 2 en 3-gebieden) vindt de gemeente het niet nodig een strengere ondergrens op te stellen dan de wettelijke ondergrens van 100m2. Waar de gemeente het mogelijke acht, zal de ondergrens zelfs verruimd worden. Voor de AWV1-gebieden, met een hoge archeologische verwachting, kiest de gemeente in haar ondergrensbeleid voor aansluiting bij de wettelijke 100m2-grens. Voor de AWV2-gebieden, met een middelhoge (of onbekende) archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 500m2. In deze gebieden zijn veelvoorkomende bodemingrepen, bijvoorbeeld de bouw van een woning, kleiner dan 500m2 vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht. Voor de AWV3-gebieden, met een lage archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 10.000m2. In deze gebieden zijn bodemingrepen toegestaan, tenzij sprake is van grootschalige ontwikkelingen waarbij bodemverstoring groter dan 10.000m2 optreedt. De oppervlakte-ondergrens van het projectgebied betreft bij bestemmingsplanwijzigingen, ontheffingen en projectbesluiten het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Omdat het Verdrag van Malta van het principe in situ- bescherming uitgaat, is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw- of aanlegactiviteit (middels omgevingsvergunning) wordt voor de ondergrens uitgegaan van het omtrek-oppervlak binnen het projectgebied waar daadwerkelijk bodemverstoring gaat plaatsvinden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel