In gemeenten met een grote dichtheid aan archeologische vindplaatsen en een grote druk op de ruimte, is het niet mogelijk om altijd de doelstelling van behoud in situ door inpassing te realiseren. Het gemeentebestuur dient in het licht van soms strijdige maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken en te selecteren. Dat wil zeggen, aan te geven welke vindplaatsen tenminste dienen te worden behouden door inpassing, welke door middel van opgravingen, en welke mogen worden opgegeven. Bij een onevenredig grote financiële druk veroorzaakt door een groot aantal behoudenswaardige locaties binnen een bepaald plan is het eveneens valide een bepaalde vorm van prioritering toe te passen. Het voeren van een consequent, inhoudelijk goed onderbouwd, en transparant gemeentelijk selectiebeleid zal gezien de soms grote financiële consequenties voor betrokkenen (eigenaren, gebruikers, ontwikkelaars, maar niet in de laatste plaats de gemeente zelf), steeds belangrijker worden.
Doelstelling van ieder selectiebeleid dient in ieder geval te zijn, het veiligstellen van een verantwoorde steekproef uit het scala van archeologische relicten dat in de eigen bodem aanwezig is. Daarnaast dient invulling te worden gegeven aan de doelstelling van behoud van de voor het eigen grondgebied of de eigen regio meest karakteristieke vindplaatsen. Zolang het inzicht in de aard van het gehele bodemarchief op het eigen grondgebied ontbreekt, zal het te voeren selectiebeleid maximaal gebruik dienen te maken van voortschrijdend inzicht. De te hanteren systematiek moet enerzijds beantwoorden aan de terechte eis van duidelijkheid en eerlijkheid, anderzijds mag het niet ontaarden in een te rigide toepassing van de op een zeker moment vastgestelde regels. Een regelmatige evaluatie en bijstelling van zowel de uitgangspunten als de toepassing ervan kan de kwaliteit van het eigen monumentenbestand alleen maar ten goede komen.
Het gemeentelijk selectiebeleid zal overigens ontwikkeld en toegepast dienen te worden in nauw overleg met de RCE en de Provincie Utrecht. Het kan en mag immers nooit strijdig zijn met het landelijke, en eventueel provinciale aanwijzingsbeleid voor archeologische monumenten. Bovendien zijn voor de toetsing van de kwaliteit van de gemeentelijke inspanningen op het terrein van de archeologische monumentenzorg in de KNA specifieke richtlijnen en criteria opgenomen.
De onderbouwing van selectiebeslissingen voor archeologische vindplaatsen, oftewel wat bepaalt uiteindelijk of een vindplaats het behouden of onderzoeken waard is, staat in ons land eigenlijk nog in de kinderschoenen. Op nationaal niveau zijn inmiddels wel criteria ontwikkeld voor de waardebepaling van vindplaatsen, maar waar het vooral aan ontbreekt zijn toetsbare parameters waarmee die waardebepaling kan worden onderbouwd. Criteria als zeldzaamheid of juist representativiteit, gaafheid, conservering en landschappelijke context zijn op zich waardevol, maar op dit moment eigenlijk nog zeer rekbare begrippen. Expert judgement en actuele onderzoeksvragen spelen bij de uiteindelijke waardestelling meestal een doorslaggevende rol. Na waardering volgt selectie. Immers niet alles wat waardevol is, kan ook automatisch behouden blijven of onderzocht worden, maar hoe worden daar de prioriteiten gesteld?
Gemeenten doen er verstandig aan het eigen lokale selectiebeleid eveneens te baseren op een lokale of regionale onderzoeksagenda. Naast complementariteit met nationale thema’s en speerpunten kan hierin ruimte geboden worden aan lokale en regionale accenten en prioriteiten. Een goed inzicht in de stand van kennis over het lokale verleden vormt de basis voor de evaluatie, en verdere ontwikkeling, van het lokale onderzoeks- en selectiebeleid. Hoewel er door de archeologische vakwereld de afgelopen jaren intensief is gewerkt aan de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA; zie noot 38), is er binnen het archeologisch vakgebied vooralsnog weinig consensus over hoe men deze op gemeentelijk niveau als selectiedocument zou moeten toepassen.
Het is vrijwel onmogelijk om op voorhand aan te geven wat de inhoudelijke en cultuurhistorische relevantie van (bedreigde) archeologische resten zal zijn. Een gemeentelijke onderzoeksagenda met als doel inhoudelijke keuzes (selectie) te kunnen maken, zal de komende jaren moeten rijpen. Dit neemt niet weg, dat omwille van de historische of cultuurhistorische betekenis nu al extra aandacht kan worden besteed aan bepaalde thema’s of perioden binnen de gemeente, zoals in de vorige paragraaf opgesomd. Zeker als deze een identiteitsversterkende rol kunnen vervullen.