Bij het bepalen van het maximum te subsidiëren uurtarief hebben we advies ingewonnen bij Bureau Buitenhek. Het bedrag is afgeleid van de benchmark* die in 2016 is opgesteld door de Brancheorganisatie. Het spreekt voor zich dat er in vergelijking met deze benchmark bij aanbieders verschillende afwijkingen van deze benchmark kunnen zijn. Zo is de benchmark gebaseerd op de cao Sociaal Werk die hogere kosten (ca. 8%) kent dan de cao Kinderopvang. Ook is gerekend met een bezetting van 90% terwijl niet alle locaties die bezetting (kunnen) halen. Er zullen in de praktijk dus plussen en minnen zitten in de vergelijking met de benchmark per aanbieder.
Voor de indexering van 2016 naar 2020 is rekening gehouden met een jaarlijkse index van 2%. In 2020 is tevens een correctie toegepast op de benchmark (-3%), omdat de openingstijden in dat jaar veelal zijn verruimd naar 4 uur per dagdeel door aanvullende landelijke regelgeving. Het kostendekkend uurtarief wordt door die ruimere openingstijden lager omdat de vaste kosten over meer uren kunnen worden verdeeld). Dat leverde voor 2020 in een kostendekkend uurtarief op van
€ 9,50*.

Voor de indexering van de subsidietarieven ligt voor de hand de indexering van het maximum uurtarief voor de toeslagregeling te gebruiken omdat deze rekening houdt met (verdere) specifieke aanpassingen in de kosten als gevolg van kwaliteitseisen voor kinderopvang. De indexering van het maximum uurtarief voor de toeslagregeling is in 2021 3,5 %, in 2022 0,5% en in 2023 5,6%.
Cumulatieve indexering levert voor 2023 een kostendekkend uurtarief op van maximaal
€ 10,43.
* In de onderstaande kostenopbouw is te zien op welke personele inzet en welke kosten de benchmark is gebaseerd. Dat biedt aanknopingspunten om vast te stellen wat binnen de standaard subsidieregeling valt en wat eventueel met aanvullende subsidie moet worden gedekt (bijvoorbeeld als het bezettingspercentage niet gehaald kan worden in kleine kernen).
