Het kabel- en leidingtracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd. In het kabel- en leidingtracé staan bij voorkeur geen bomen of andere obstakels (zoals bijvoorbeeld trottoirkolken).
In het overig deel van de openbare weg worden de riolering en de transportleidingen gesitueerd.
Bij de plaatsbepaling van kabels en/of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingtracé en de stam van de boom bepaald conform de tabel in de Bomenposter en/of het bepaalde in het handboek Bomen.
Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de afstand tussen leidingen en kabels ten minste 0,10 m bedraagt. De horizontale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie Hoofdstuk 10, bijlage 10.1 en 10.2.
In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste op gelijk te zijn aan de diepteligging ervan. Begin van de sleuf minimaal 60 cm. uit kant van de verharding tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.
Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.
De grondroerder vraagt vooraf aan de gemeente schriftelijk toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg van de gemeente aanwezig zijn.
Het is niet toegestaan om kabels en of leidingen in, op, of aan kunstwerken die eigendom of in beheer van de gemeente zijn, aan te brengen.
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.1.
Horizontale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen