Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen moet zoveel mogelijk vermeden worden. Hier moet tijdens de engineering al rekening mee gehouden worden en waar mogelijk worden er alternatieve routes gekozen. Is het werken aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen onvermijdelijk, dan moet dit eerst met de coördinator afgestemd worden.
Voorafgaand aan de engineering vraagt de grondroerder bij de gemeente de digitale bomenkaart op. Als zich in het tracé (monumentale) bomen bevinden moeten die (inclusief de kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven worden.
Wegkruisingen die door middel van een persing (of gestuurde boring) worden gerealiseerd, zijn op minimaal 3,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
Bij wegen met gescheiden rijbanen en/of fietspaden met tussenliggende groenstroken moet bij de realisatie van een wegkruising de mantelbuis (zo mogelijk) uit één lengte bestaan. De mantelbuis mag alleen worden aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen en niet in de kruisingsvlakken van wegen.
Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen en/of andere groenvoorzieningen wordt gewerkt, moet de grondroerder rekening houden met een aantal voorzorgsmaatregelen (hoofdstuk 9), die schade aan de boom, groenvoorziening en de kabel en/of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in de tabel van de bomenposter, worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.2.
Aanvullende eisen horizontale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen