Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.

Artikel 7.2.3.

Verticale ligging

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen

Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1 en 10.2. Uitgangspunten bij een verticale ligging: distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; Diepteligging altijd minimaal 0.60 m; vrijvervalleidingen hebben voorrang boven drukleidingen; kabels en/of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd worden. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente; bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m; er moet een strook tussen 0,60 m -mv en 0,80 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrij verval rioolaansluitingen. Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan of voorschrijven.

Rechtspraak bij dit artikel