Uit verkeersveiligheidsoogpunt is van belang dat de weggebruiker aan de hand van de vormgeving de situatie direct herkent als uitweg. Dit is het geval als een uitweg de volgende aanbevolen uitwegconstructie heeft waarmee geheel aan het constructiecriterium wordt voldaan:
trottoir en/of fietspad (eventueel fiets/ bromfietspad) loopt langs de doorgaande weg ononderbroken op nagenoeg dezelfde hoogte en in een soortgelijke verharding door over de zijweg;
er zijn zogenaamde inritblokken toegepast, de helling van de blokken moet 1 : 6 zijn (of flauwer),
en de aansluiting van de rijbaan/wegverharding op het inritblok moet vlak zijn (dus, geen aansluitbogen aanwezig).
Vanuit verkeerskundig oogpunt geldt dat als de constructie niet voldoet aan deze kenmerken er dan geen sprake is van een uitweg en de algemene regel van toepassing is zoals op kruispunten: bestuurders verlenen voorrang aan de voor hen van rechts komende bestuurders (RVV 1990 [w4])
Hoofdstuk 5
Artikel 11
Algemeen constructiecriterium
Onderdeel van Ontwerp beleidsregels uitwegen 2022