Een uitweg dient uit een elementverharding te bestaan. Bijvoorbeeld klinkers of tegels.
Het gedeelte van de uitweg op gemeentegrond mag niet met een halfverharding gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld grauwacke of grind.
De uitweg moet tot 2m voor de openbare weg uit elementenverharding bestaan. Dit gedeelte mag niet uit halfverharding bestaan.
Het gedeelte van de uitweg op gemeentegrond mag niet uit een gesloten verharding bestaan. B.v. asfalt en beton.
De uitweg dient opgesloten te worden met trottoir-of opsluitbanden. De maatvoering hiervan is afhankelijk van het gebruik. In een woonwijk is een opsluitband van minimaal 10cm x 20cm voldoende. Op een bedrijventerrein en/of in het buitengebied dient een zwaardere band toegepast te worden.
Een trottoir mag niet onderbroken worden door een ander bestratingsmateriaal. Het trottoir moet wel overrijdbaar zijn. Dit houd in dat ter plekke van de uitweg op gemeentegrond het bestratingsmateriaal minimaal 6cm dik dient te zijn/worden.
Wanneer een molgoot inclusief kolken aanwezig is, dient deze gehandhaafd te blijven. Mocht dit niet passen dient de nieuwe locatie van de aangegeven te worden in de aanvraag.
De keuze van bestratingsmateriaal op gemeentegrond in een woonwijk of industrieterrein is gelijk of gelijkwaardig aan de rest van de inrichting in deze wijk of industrieterrein.
Wanneer er een hoogteverschil met de weg opgevangen dient te worden, gebeurt dit met inritblokken.
Er dient een deugdelijke fundering aangebracht te worden onder de uitweg op gemeentegrond. De materiaalkeuze is afhankelijk van het gebruik.
De wegconstructie van de openbare weg moet ter plaatse van de uitweg berekend zijn op het te verwachten gebruik c.q. de belasting van de uitweg. De kosten voor eventuele aanpassingen aan de weg zijn voor rekening van de aanvrager.
Breedte loopoppervlak tussen de inritblokken aan weerszijden van een uitwegconstructie, dan wel tussen de inritblokken en de rand van het trottoir bedraagt ten minste 1,2 m.