Tot 1918 konden woonwagenbewoners in Nederland vrij reizen en hun woonwagen overal neerzetten. Daarna besloot de rijksoverheid om dit te gaan reguleren via de Woonwagenwet. Sindsdien is het beleid gericht geweest op beperking van het aantal woonwagens. Het wonen in een woonwagen werd vergunningplichtig en woonwagenbewoners moesten aan bepaalde regels voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen. In 1968 werd dit vergunningstelsel uitgebreid met het afstammingsbeginsel, wat inhield dat nieuwe bewoners alleen een standplaats kregen toegewezen als de ouders ook al in een woonwagen woonden.
Daarnaast werden woonwagenbewoners vanaf 1918 gestimuleerd en uiteindelijk gedwongen om het reizen op te geven en zich permanent te vestigen op door de gemeente aangewezen vaste standplaatsen. Vanaf eind jaren '50 werd daarbij opgeschaald van kleine, lokale voorzieningen naar grote, regionale woonwagenkampen op vaak afgelegen locaties. Halverwege de jaren '70 kwam er een kentering in dit beleid en werd er weer afgeschaald naar kleine centra met 10-15 plaatsen in elke gemeente.
In 1991 werd besloten dat alle aparte wetten en regels voor woonwagenbewoners geleidelijk zouden worden afgeschaft. Uitgangspunt van beleid werd dat woonwagenbewoners moeten worden behandeld als gewone burgers. Uiteindelijk leidde dit in 1999 tot intrekking van de Woonwagenwet. Sindsdien vallen woonwagenbewoners onder de algemene plicht van de gemeente om te zorgen voor passende huisvesting van al haar inwoners, en vormt het woonwagenbeleid onderdeel van het gemeentelijk woonbeleid. Het werd daarom niet meer nodig geacht om gemeenten wettelijk te verplichten een woonwagencentrum in stand te houden. In de praktijk leidde dit ertoe dat veel gemeenten een 'nul-optie' of afbouwbeleid gingen voeren, gericht op stabilisering en/of een geleidelijke afname van het aantal standplaatsen.
Enkele jaren geleden werd duidelijk dat dit beleid resulteerde in een toenemende schaarste aan- en een ongelijke verdeling van standplaatsen over gemeenten, waardoor steeds meer aspirant- woonwagenbewoners geen (passende) standplaats meer konden krijgen en gedwongen waren om in een reguliere woning te gaan wonen. Belangenorganisaties van woonwagenbewoners, het Europees hof voor de rechten van de mens, het nationale College voor de rechten van de mens en de Nationale Ombudsman wezen de rijksoverheid erop dat dit beleid in strijd is met het grondwettelijk recht op gelijke behandeling en het recht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun eigen culturele identiteit.
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.1
Artikel 7.1.1.
Voorgeschiedenis
Onderdeel van Woonplan Zwijndrecht 2020-2030