Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.7

Artikel 35

Bestaanskosten (jongeren niet in instelling)

Onderdeel van Nadere regels bijzondere bijstand en minimaregelingen Boxtel 2021

De bijstandsnorm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar is laag. Als een jongere aantoonbaar hogere bestaanskosten voor levensonderhoud heeft, dan kan de jongere aanvullend bijzondere bijstand krijgen voor de deze kosten. Over dit bedrag zijn belastingen en premies verschuldigd. Thuiswonende en uitwonende jongeren Thuiswonend: ouders kunnen aan hun onderhoudsverplichting voldoen door hun kind te laten inwonen. Een jongere kan daarmee een beroep doen op zijn ouders. De jongere krijgt geen aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Uitwonend: als de jongere geen beroep op zijn ouders kan doen, dan kan hij aanvullend bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van levensonderhoud. Dit moeten hogere bestaanskosten zijn dan kosten waarin de bijstandsnorm voorziet. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de mogelijkheid tot kostendeling: Geen kostendeling: de bijstandsnorm kan aangevuld worden tot 60% van de gehuwdennorm. Een hogere aanvulling tot de bijstandsnorm voor een alleenstaande vanaf 21 jaar is onwenselijk, omdat dit hoger is dan het bedrag aan studiefinanciering voor een mbo’er of het wettelijk minimumloon van een 18 tot en met 20 jarige. Wel kostendeling: de bijstandsnorm kan via de bijzondere bijstand aangevuld worden tot de kostendelersnorm vanaf 21 jaar. De kostendelersnorm vanaf 21 jaar is namelijk lager dan 60% van de gehuwdennorm.

Rechtspraak bij dit artikel