Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.1

Inspecties

Onderdeel van Beleidskader toezicht en handhaving Wet kinderopvang Neder-Betuwe 2022

Op grond van de Wko is het college verplicht jaarlijks alle kinderdagverblijven, buitenschoolse opvanglocaties en gastouderbureaus te inspecteren. Voor gastouders is landelijk bepaald dat een steekproef volstaat. Het college bepaalt jaarlijks of zij kiest voor een hoger percentage dan het landelijk minimum. Bij het nemen van de steekproef wordt onder andere rekening gehouden met het risicoprofiel van de gastouderbureaus en met signalen. De inspecties vinden zoveel mogelijk onaangekondigd plaats. Dit geeft een meer realistisch beeld van de feitelijke gang van zaken op de locatie. Insteek bij de inspecties is dat het zwaartepunt steeds meer komt te liggen bij het beoordelen van de pedagogisch praktijk en minder bij de administratie. De toezichthouders van de GGD zijn de oren en ogen voor het college. Zij komen op de opvanglocaties en ervaren de dagelijkse praktijk van de kinderopvang. Zonder toezicht is er geen daadwerkelijk zicht op de kwaliteit van de opvang. De bevindingen van de toezichthouder worden vastgelegd in een inspectierapport. Er zijn verschillende typen onderzoek in het kader van toezicht: Onderzoek vóór registratie (OVR) Elke voorziening wordt na het indienen van een aanvraag tot exploitatie bezocht door een toezichthouder van de GGD. De toezichthouder onderzoekt of de opvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de Wko. Hierbij wordt de werkwijze ‘streng aan de poort’ gehanteerd. Onderzoek na registratie (ONR) Binnen drie maanden nadat een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie is genomen, voert de GGD een ONR uit. Bij een voorziening voor gastouderopvang wordt geen ONR uitgevoerd. Het onderzoek na registratie richt zich op dezelfde onderdelen als een reguliere inspectie, maar kan minder intensief zijn door de strenge inspectie vóór registratie. Met name de pedagogische praktijk (handelen de beroepskrachten in lijn met het pedagogisch beleid) en de uitvoering van het veiligheids- en gezondheidsbeleid worden beoordeeld. De toezichthouder heeft de praktijk namelijk niet eerder kunnen toetsen. Jaarlijks onderzoek Elk kindercentrum of gastouderbureau wordt jaarlijks bezocht door een toezichthouder van de GGD. Het toezicht bij een jaarlijks onderzoek wordt risico-gestuurd uitgevoerd: minder toezicht waar mogelijk, meer waar nodig.4Aan de hand van een door de toezichthouder opgesteld risicoprofiel (volgens landelijk model) wordt er onderscheid gemaakt in de zwaarte van het toezicht. Heeft een kindercentrum een groen risicoprofiel? Dan vindt er slechts toezicht plaats op enkele belangrijke punten. Zijn er zorgen over de kwaliteit dan zal het risicoprofiel afhankelijk van de aard van de zorgen geel, oranje of rood van kleur zijn en vindt uitgebreider en/of vaker toezicht plaats. Een risicoprofiel geeft geen kwaliteitsoordeel, maar bepaalt alleen de vorm en mate van inspectie. Het is een planningsinstrument. Het bepalen van de inspectieactiviteit is een voortdurend proces zonder start- of eindpunt. Een inspectie levert namelijk veel informatie op die van invloed kan zijn op de risico-inschatting. In de perioden tussen de locatie-inspecties kan het risicoprofiel en daarmee de inspectieactiviteit bijgesteld worden als daarvoor aanleiding is. Bijvoorbeeld na melding van een klacht of signaal of omdat een handhavingsmaatregel van de gemeente niet tot verbetering heeft geleid. Uiteraard vindt ook positieve bijstelling plaats – bijvoorbeeld wanneer blijkt, dat er wél verbetering is opgetreden en overtredingen zijn opgelost. Nader onderzoek Naar aanleiding van een inspectierapport kan het college de houder een sanctie opleggen. Het kan hierbij gaan om een herstellende en/of een bestraffende sanctie. Als een herstellende sanctie is opgelegd geeft het college de GGD opdracht tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De GGD toetst in het nader onderzoek of de houder de geconstateerde overtreding(en) afdoende heeft hersteld. Incidenteel onderzoek Naar aanleiding van een melding over onvoldoende kwaliteit, klachten van derden of berichten uit de media kan de GGD incidenteel onderzoek verrichten. Een dergelijk onderzoek vindt pas plaats nádat de GGD hiervoor een schriftelijke opdracht van het college heeft ontvangen. Ook een wijzigingsverzoek van de houder kan aanleiding zijn voor een incidenteel onderzoek. Bijvoorbeeld wanneer de houder het aantal geregistreerde kindplaatsen wil wijzigen.

Rechtspraak bij dit artikel