Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 4.2.4

Zeer dringende sociale reden

Onderdeel van Handhavingsbeleid recreatieobjecten

Het tot nu toe gehanteerde criterium luidt: Er is sprake van zeer dringende sociale redenen om zich tijdelijk in een recreatieverblijf te vestigen. Het moet dan gaan om ernstige sociale of maatschappelijke problemen die aantoonbaar verband houden met de woonsituatie; dit ter beoordeling van de gemeente; Het criterium valt uiteen in drie toetsstenen te weten: De zeer dringende maatschappelijke/sociale reden (ter beoordeling van de gemeente); Die aantoonbaar verband houdt met de woonsituatie: De maatschappelijke/sociale reden moet verband houden met de huidige woonsituatie; De zeer dringende maatschappelijke/sociale reden rechtvaardigt de tijdelijke vestiging in een recreatieverblijf. Tot op heden is géén nadere invulling gegeven aan de invulling van deze toetsstenen. Dit heeft als gevolg gehad dat vrij steng is omgegaan met het criterium. In 1998 waren zorgtaken nog niet bij gemeenten belegd. De drie decentralisaties vanuit het sociaal domein (op het gebied van (jeugd)zorg, werk en inkomen) vonden plaats in 2015. Voor die tijd was er minder bewustzijn met betrekking tot sociale problematiek die mensen drijft tot het bewonen van recreatiewoningen. De decentralisaties hebben tot gevolg gehad dat de gemeente mensen in dienst heeft genomen met een zorgachtergrond of hiertoe heeft laten opleiden. Verder werkt de gemeente nauw samen met diverse zorginstanties (denk hierbij aan de GGD, Juvans, Contour de Twern, MEE etc.) die inzicht kunnen bieden in sociale of maatschappelijk omstandigheden van een persoon. Deze instanties kunnen veelal ook beter vaststellen of iemand daadwerkelijk aangewezen is op een recreatieobject. De criteria zijn verder nader bekeken met medewerkers van het sociaal team. Een zeer dringende maatschappelijke/sociale reden (ter beoordeling van de gemeente): Voorgesteld wordt om advisering vanuit het OTO te laten plaatsvinden bij beoordeling van sociale of maatschappelijke problematiek. Handreikingen bij het bepalen of sprake is van zeer dringende problematiek zijn als volgt: Er dient sprake te zijn van meervoudige problematiek; Er is redelijkerwijs geen voorliggende voorziening denkbaar (daklozenopvang, logeren bij vrienden of bekenden); De gemeente blijft bevoegd tot het nemen van een beslissing over het gedogen. Wanneer een gedoogverklaring wordt verstrekt vindt de gemeente het noodzakelijk dat de tijdelijke bewoner meewerkt aan behandeling van de sociale of maatschappelijke problematiek. Dit wordt dan ook expliciet opgenomen in het plan van aanpak van een tijdelijke bewoner. Zodra hieraan geen medewerking wordt geboden vervalt onmiddellijk de gedoogstatus dan wel de mogelijkheid tot gedogen. Die aantoonbaar verband houdt met de woonsituatie: De maatschappelijke/sociale reden moet verband houden met de (vorige) woonsituatie. De verhuizing naar een recreatiewoning moet voortvloeien uit een vorige woonsituatie. Het moet voor de persoon door een sociale of maatschappelijke oorzaak onmogelijk (of onverantwoord) zijn om terug te keren naar zijn voormalige woning. Denk hierbij aan (dreiging tot) huiselijk geweld, woningverlies door brand of uithuiszetting wegens betalingsachterstanden. De volgende redenen vallen niet onder een zeer dringende sociale reden die aantoonbaar verband houdt met de woonsituatie: een echtscheiding, geldgebrek, het verlangen van een goedkopere woning, het dichter bij familie/vrienden willen wonen en de kinderen op dezelfde school willen houden. De zeer dringende maatschappelijke/sociale reden rechtvaardigt de tijdelijke vestiging voor een jaar in een recreatieverblijf: De maatschappelijke sociale situatie moet naar redelijke verwachting van een hulpverlener opgelost kunnen worden en er moet andere woonruimte worden gevonden en betrokken. Dit moet binnen de gedoogtermijn van een jaar kunnen plaatsvinden. Het te bereiken resultaat op het gebied van huisvesting wordt dan ook vastgelegd in een plan van aanpak. Verder moet de hulpverlener ervan overtuigd zijn dat de vestiging op een recreatiepark de aanwezige sociale en/of maatschappelijke problematiek niet verergert. De betrokken hulpverlener zal een bezoek op locatie verrichten om hiervan een beeld te verkrijgen.

Rechtspraak bij dit artikel